Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Overbrenging AVI-vliegas 02 maart 2018 LinkedIn printen

    Mr. A.H. Gaastra en mr. J.B.J. van der Kolk hebben een artikel geschreven met de titel “Is de overbrenging van AVI-vliegas voor het opvullen van Duitse mijnen in strijd met het Europese afvalstoffenrecht?” dat gepubliceerd is in het tijdschrift Milieu & Recht, Aflevering 1, 2018/2, p. 2 tot en met 9. U treft het volledige artikel hier.

    In het artikel wordt gemotiveerd uiteen gezet dat de overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen, waaronder AVI-vliegas, voor het opvullen van uitgegraven ruimtes van (Duitse) mijnen onder de noemer ‘nuttige toepassing’ in strijd is met het Europese afvalstoffenrecht. Het is artikel is geschreven naar aanleiding van een advies over deze kwestie dat in opdracht van een in Nederland gevestigd afvalstoffenbedrijf is uitgebracht. 

    Op grond van het Europese afvalstoffenrecht kwalificeert elke handeling met afvalstoffen als een handeling van ‘nuttige  toepassing’ of als ‘verwijderingshandeling’. Op 28 juli 2016 heeft het Europese Hof van Justitie in zaak nr. C-147/15 arrest gewezen en daarin antwoord gegeven op de vraag onder welke voorwaarden het opvullen van een stilgelegde steengroeve in Italië met ‘niet uit de winningsindustrie afkomstig afval’ kan kwalificeren als ‘nuttige toepassing’ (ECLI:EU:C:2016:606, hierna: het arrest Bari/Mastrodonato). Dit arrest heeft ons inziens ook betekenis voor de opvulling van uitgegraven ruimtes van (Duitse) mijnen met (niet-inerte of) gevaarlijke afvalstoffen (zoals AVI-vliegas) en het anderszins brengen van (dergelijke) afvalstoffen in de bodem of ondergrond. Gelet op de overwegingen van het Hof in dit arrest ten aanzien van het in het afvalstoffenrecht relevante begrip ‘nuttige toepassing’, kwalificeert de opvulling van Duitse mijnen met gevaarlijke afvalstoffen naar onze opvatting niet (meer) als ‘nuttige toepassing’, maar als ‘verwijdering’. Gelet hierop zou de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dan ook bezwaar moeten maken tegen deze overbrengingen op basis van de verkeerde indeling als ‘nuttige toepassing’ en het beginsel van zelfvoorziening. 

  • PGS heeft geen directe werking 05 december 2017 LinkedIn printen

    Gaastra advocaten is betrokken bij verschillende zaken waarin het bevoegd gezag zich op het standpunt stelt dat de drijver van een inrichting aan één of meerdere voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zou moeten voldoen, terwijl (een specifieke verwijzing naar) dergelijke voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn niet in een voorschrift bij de vigerende omgevingsvergunning milieu is (of zijn) opgenomen. Dit standpunt is onjuist.

    Voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zijn immers niet (zomaar) op een inrichting van toepassing. Uitgangspunt is dat de (milieu)eisen waaraan de drijver van een inrichting zou moeten voldoen, volgen uit de omgevingsvergunning(en) milieu (en eventuele andere omgevingsvergunningen) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de daaraan verbonden voorschriften en de algemene regels die voor de inrichting gelden.

    Daarnaast zijn er voorbeeldvoorschriften die in PGS-richtlijnen zijn opgenomen. PGS-richtlijnen zijn documenten over specifieke activiteiten met gevaarlijke stoffen die door deskundigen zijn opgesteld. Zo heeft PGS 15 bijvoorbeeld betrekking op de ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’ en heeft PGS 29 betrekking op de ‘Bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in cilindrische tanks’.

    Een PGS-richtlijn betreft geen direct bindende wet- en regelgeving. Hoewel PGS-richtlijnen in de Regeling omgevingsrecht als informatiedocument over best beschikbare techniek kunnen worden aangemerkt, hebben PGS-richtlijnen geen directe werking. Het is dus niet zo dat de drijver van een inrichting verplicht zou zijn om onverkort aan alle (nieuwe) voorbeeldvoorschriften van een (herziene versie van een) PGS-richtlijn te voldoen, indien binnen de desbetreffende inrichting activiteiten zouden worden ontplooid die zouden vallen onder een PGS-richtlijn.

    Voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zouden alleen bindend voor een inrichting kunnen worden door middel van een verwijzing naar specifieke voorbeeldvoorschriften van een PGS-richtlijn in een voorschrift bij de omgevingsvergunning milieu van de desbetreffende inrichting.

    Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt voorts dat een algemene verwijzing naar (onderdelen van) een PGS-richtlijn in een voorschrift bij een omgevingsvergunning milieu niet is toegestaan. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan in een vergunningvoorschrift slechts met een verwijzing naar (onderdelen van) een PGS-richtlijn worden volstaan, als voldoende duidelijk is welke verplichtingen in het concrete geval uit die (onderdelen van de) PGS-richtlijn voortvloeien. Zonder nadere concretisering in voorschriften is immers niet duidelijk welke voorzieningen op grond van (bepaalde onderdelen van) een PGS-richtlijn zouden moeten worden getroffen. Een algemene verwijzing naar (onderdelen van) een PGS-richtlijn wordt dan ook in strijd geacht met het rechtszekerheidsbeginsel, dat eist dat de verplichtingen die voortvloeien uit een aan een vergunning verbonden voorschrift duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn (zie ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7026, r.o. 2.6.3).

    Het verdient daarom aanbeveling om te onderzoeken of het bevoegd gezag zich in een concreet geval wel terecht op het standpunt stelt dat de drijver van een inrichting aan één of meerdere voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zou moeten voldoen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zou mogelijk voorkomen kunnen worden dat onnodige voorzieningen (op een te korte termijn) zouden moeten worden getroffen. 

  • Grenswaarden luchtkwaliteit 13 september 2017 LinkedIn printen

    De Nederlandse Staat kan de luchtkwaliteit niet verbeteren, ook al zou zij dat willen.

    In Nederland wordt niet voldaan aan de Europese grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De kort gedingrechter in Den Haag heeft de Staat op vordering van Milieudefensie en de Stichting Adem in zijn beslissing van 7 september 2017 veroordeeld om binnen twee weken te beginnen met het opstellen van een luchtkwaliteitsplan dat voldoet aan de Europese richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa. De Staat moet ook in kaart brengen waar nog sprake is of zal zijn van te verwachten overschrijdingen en de Staat mag geen maatregelen meer nemen die tot nieuwe overschrijdingen van de grenswaarden voor stikstofdioxide of en fijnstof zullen leiden. Er loopt ook een bodemprocedure, maar die kan volgens de kortgedingrechter niet worden afgewacht.

    De vraag is; zet dit nu echt zoden aan de dijk of is het een symbooluitspraak. De tweede vraag is of het door de milieubeweging gestelde doel ook echt kan worden bereikt.

    Het lijkt op een symbooluitspraak. De rechter is niet zover gegaan dat hij de Staat concreet voorschrijft welke maatregelen moeten worden genomen. Dat valt volgens de rechter onder de beleidsvrijheid van de Staat. De vordering die ertoe strekt dat onmiddellijk aansluitend op de identificatie van knelpunten maatregelen worden getroffen is dan ook afgewezen. Volgens de rechter is die vordering prematuur aangezien eerst een luchtkwaliteitsplan dient te worden vastgesteld, waarbij dient te worden onderzocht welke maatregelen nodig zijn. Dit geeft de Staat toch mogelijkheden om het plan tot op zekere hoogte naar eigen inzicht in te vullen. Wel is van belang dat nu goed moet worden gekeken naar  de eisen die de Europese richtlijn betreffende de luchtkwaliteit aan het plan stelt. De rechter meent dat de Staat daarin tekort is geschoten. Opvallend is ook dat de uitspraak van de rechter de Staat verplicht om binnen twee weken met het opstellen van een nieuw plan te beginnen. Dat zegt nog niet wanneer het plan klaar moet zijn. De Staat wordt immers niet veroordeeld om dat plan voor een bepaalde datum afgerond te hebben, laat staan te hebben uitgevoerd. Het lijkt er dus op dat de milieubeweging wel punten heeft gescoord maar met deze uitspraak nog niet bereikt wat ze eigenlijk wil, te weten het opleggen van de verplichting aan de Staat om concrete maatregelen te nemen die binnen een bepaalde periode ook tot resultaat zullen gaan leiden. Het verbod om nieuwe maatregelen te nemen die tot een voortgaande danwel hernieuwde overschrijding zal leiden is wat meer concreet, maar lost de bestaande overschrijdingen niet op.

    Het allergrootste probleem waar de Staat ten aanzien van de luchtkwaliteit mee zit, is waarschijnlijk dat zij maar zeer beperkt invloed heeft op de maatregelen die zouden moeten worden genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Een belangrijk deel van de verontreiniging komt immers over de grens uit het buitenland aanwaaien. Tevens zijn onherroepelijke vergunningen verleend voor allerlei activiteiten die luchtverontreiniging veroorzaken. Er zijn ook vele activiteiten die luchtverontreiniging veroorzaken en waarvoor niet eens een vergunning nodig is. Hoewel het de bedoeling is dat een dergelijk plan ook daadwerkelijk leidt tot vermindering van de luchtverontreiniging tot beneden de Europese grenswaarden, zal meen ik op enig moment ook moeten worden onderkend dat de Staat onvoldoende middelen in handen heeft om dit uiteindelijk te kunnen bereiken.

  • Drempel passieve kiesrecht 09 juni 2017 LinkedIn printen

    André Gaastra en Jan Schinkelshoek, oud-Tweede Kamerlid voor het CDA en directeur bij het communicatieadviesbureau Schinkelshoek & Verhoog in Den haag hebben samen een artikel geschreven.

    U treft de publicaties van dit artikel hier aan (de publicatie in Binnenlands Bestuur en de publicatie in De Hofvijver).

  • Veiligheid bij evenementen 30 november 2016 LinkedIn printen

    Mr. A.H. Gaastra heeft op 7 december gesproken op het congres ‘Veiligheid bij Evenementen’, dat plaats heeft gevonden op The Hague Security Delta Campus (www. sbo.nl/veiligevenement). Hij heeft aandacht besteed aan de juridische aansprakelijkheid bij fatale incidenten op evenementen. Daarbij zijn vanzelfsprekende vragen aan de orde geweest, zoals wie verantwoordelijk is, welke schade zou kunnen worden geclaimd en of deze aansprakelijkheid kan worden voorkomen of ingeperkt. Zijn presentatie treft u hier aan.

  • Who's Who Legal erkent Gaastra 18 december 2015 LinkedIn printen

    Andre Gaastra is erkend als een van de meest vooraanstaande milieurechtadvocaten in Nederland. Hij beschreef de recente ontwikkelingen van het milieurecht in Nederland in de laatste editie van Who’s Who Environment.

    Klik hier voor het artikel.

  • De nieuwe Omgevingswet 04 december 2015 LinkedIn printen

    Op dit moment ligt het wetsvoorstel voor een nieuwe Omgevingwet bij de Eerste Kamer. Het betreft een gigantische wetgevingsoperatie die moet leiden tot de integratie van een groot aantal wetten en AMvB’s. De belangrijkste instrumenten van de Omgevingswet zullen de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan de omgevingsvergunning en het projectbesluit zijn. Een groot deel van het concrete toetsingskader (van bijvoorbeeld omgevingsvergunningen) zal worden uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten en -regelingen. Het is thans de bedoeling van de regering dat de concrete regels worden uitgewerkt in vier AMvB’s (het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving).

    De Raad voor de Leefomgeving (een onafhankelijk adviesorgaan van de regering) heeft in december 2015 geadviseerd over de invulling van de nationale omgevingsvisie en over de uitvoeringsregelgeving (met name over het Omgevingsbesluit en het Besluit kwaliteit leefomgeving). De Raad adviseert een omgevingsvisie op te stellen die zich vooral concentreert op vier opgaven: de energietransitie, klimaatadaptatie, het verbeteren van de ruimtelijk-economische infrastructuur en de transformatie van het landelijk gebied. Wat betreft de AMvB’s adviseert de Raad om deze te beperken tot een selectief aantal kaders en kwaliteitsnormen. Er moet volgens de Raad gezocht worden naar zo veel mogelijk flexibiliteit – gericht op een samenhangende afweging met het oog op de leefomgevingskwaliteit – en goede procedurele waarborgen voor de burger. De Raad is voorstander ervan dat lagere overheden flexibel kunnen omgaan met omgevingsnormen en in een specifiek geval maatwerk kunnen leveren. Daar hoort volgens de Raad wel zekerheid over het proces bij. Flexibiliteit kan volgens de Raad ook leiden tot strengere normen op decentraal niveau.

    De Raad geeft voorts terecht aan dat de nieuwe Omgevingswet en de uitwerkende regelgeving een grote impact zullen hebben op Nederland. Het doel van de regering is om deze wet in 2018 in werking te laten treden. Het is naar ons inzicht van groot belang voor bedrijven dat zij zich tijdig vergewissen van de (mogelijke) gevolgen van deze nieuwe wet voor hun bedrijfsvoering.

  • Correctie relativiteitseis 03 december 2015 LinkedIn printen

    In het bestuursprocesrecht geldt in beroepzaken tegen besluiten bij de bestuursrechter het relativiteitsvereiste. Op dit punt is het recht nog volop in ontwikkeling. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de rechter een bepaald besluit van de overheid niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. In de juridische literatuur speelt al langer de vraag of dit relativiteitsvereiste niet enigszins gecorrigeerd zou moeten kunnen worden in de praktijk, net als in het civiele recht reeds het geval is (de zgn. correctie Langemeijer). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de staatsraad advocaat-generaal daarom (en omdat dit in een concrete zaak aan de orde kwam) recent verzocht een conclusie (anders gezegd, een advies) over dit onderwerp uit te brengen.

    Op 2 december 2015 heeft de staatsraad advocaat-generaal zijn conclusie over dit onderwerp gepubliceerd. Daarin adviseert hij kort gezegd het relativiteitsvereiste te corrigeren, in die zin dat "de schending van een wettelijke norm die niet de bescherming beoogt van de belangen van een belanghebbende, kan bijdragen tot het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of gelijkheidsbeginsel is geschonden". Er zal volgens de staatsraad advocaat-generaal sprake kunnen zijn van schending van het vertrouwensbeginsel in deze zin als een bevoegd persoon namens een bestuursorgaan concrete verwachtingen heeft gewekt dat het bedrijf of de omwonende zou worden beschermd door de wettelijke norm. Het gelijkheidsbeginsel zal volgens de staatsraad advocaat-generaal kunnen zijn geschonden als een bedrijf aannemelijk maakt dat het zich in een vergelijkbare situatie bevindt als het concurrerende bedrijf op het punt van de toepasselijke wettelijke voorschriften en relevante feiten. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als een bedrijf aannemelijk maakt dat aan de vergunning die aan een concurrerend bedrijf is verleend niet de voorschriften zijn verbonden die daaraan op grond van de wet moeten worden verbonden, terwijl die voorschriften wel aan de eigen vergunning van het bedrijf zijn verbonden.

    Deze correctie zal met name relevant kunnen zijn in gevallen waarbij een concurrent tegen een besluit ten gunste van een ander bedrijf beroep instelt. Voor omwonenden had de Afdeling in haar jurisprudentie al enkele scherpe kanten van het relativiteitsvereiste afgehaald (door de staatsraad advocaat-generaal aangeduid als de ‘parallele belangencorrectie’ en de ‘verwevenheidcorrectie’). Als deze nieuwe correctie door de Afdeling wordt overgenomen, kan het naar ons inzicht van essentieel belang zijn dat een beroepsgrond wordt vormgegeven met deze correcties in het achterhoofd, zodat wordt voorkomen dat het relativiteitsvereiste aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

ouder

terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu