Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Architect is belanghebbende 31 juli 2018 LinkedIn printen

    Een architect van een kantoorpand is belanghebbende bij een omgevingsvergunning die leidt tot wijziging of aantasting van het oorspronkelijke ontwerp van het door hem ontworpen kantoorpand. Dit oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in zijn uitspraak van 14 februari 2018.

    De bescherming tegen de aantasting van het auteursrecht en de daaruit voortvloeiende persoonlijkheidsrechten vormen naar het oordeel van de Afdeling in het onderhavige geval een voldoende objectief en persoonlijk belang dat rechtstreeks bij de besluiten is betrokken. Doordat hij belanghebbende is, kon de architect bij de bestuursrechter opkomen tegen een omgevingsvergunning voor de verandering van het gebouw.

    Het project waarvoor de omgevingsvergunningen zijn verleend, betrof het veranderen van een bestaand kantoorgebouw in een woongebouw met acht appartementen. De procedure was aanhangig gemaakt door de architect van het kantoorpand. De architect vreest dat de architectonische en monumentale waarden van het pand ernstig worden aangetast en streeft naar behoud van de oorspronkelijke staat van het gebouw.

    Verweerders stellen zich op het standpunt dat de architect geen belanghebbende is bij de omgevingsvergunningen omdat geen sprake is van gevolgen van enige betekenis op grond waarvan de architect als belanghebbende kan worden aangemerkt. Zij verwijzen hierbij naar een vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter in een civiele procedure. Volgens de voorzieningenrechter is ten aanzien van de noordgevel van het kantoorpand sprake van een wijziging in het bouwwerk waarvoor geldt dat dat het verzet van de architect daartegen in strijd moet worden geoordeeld met de redelijkheid. Ten aanzien van de zuidgevel van het kantoorpand heeft de voorzieningenrechter geconcludeerd dat sprake is van een aantasting van het bouwwerk, maar dat die geen nadeel zal kunnen toebrengen aan de eer of goede naam van de architect als maker van het kantoorpand of zijn waarde in deze hoedanigheid. De Afdeling gaat hier echter niet in mee. Het oordeel van de voorzieningenrechter is volgens de Afdeling slechts een inhoudelijk en voorlopig oordeel over de mate van aantasting van het bouwwerk. Dit oordeel bindt de bestuursrechter niet.

  • Beoordeling geluidbelasting 27 juli 2018 LinkedIn printen

    In zijn uitspraak van 27 juni 2018 (in zaak 201706342/1/R6) oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege een bestemmingsplan niet voldoende is om vast te stellen dat wordt voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder en/of de Wet milieubeheer.

    De zaak betrof de vaststelling van een bestemmingsplan door de gemeenteraad van Dordrecht, waarmee de ontwikkeling van het bedrijventerrein Dordtse Kil IV mogelijk wordt gemaakt. Voor de ontsluiting van dit bedrijventerrein is gelijktijdig een afzonderlijk bestemmingsplan vastgesteld, dat onder meer voorziet in een aanpassing van de A16. Tegen dit bestemmingsplan is beroep ingesteld door een omwonende, wiens woning zich op ongeveer 950 meter van het beoogde bedrijventerrein bevindt. Hij stelde dat door verkeerslawaai een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan bij zijn woning, en dat de gemeenteraad om die reden geen woonbestemming aan zijn gronden had mogen toekennen. De geluidbelasting bij zijn woning is nu al zeer hoog, en zou ten gevolge van dit bestemmingsplan nog verder toenemen.

    De gemeenteraad stelde dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning van appellant. Er is inderdaad sprake van een hoge geluidbelasting in de huidige situatie, maar dit zal volgens de gemeenteraad door het bestemmingsplan niet wezenlijk veranderen. Er is onderzoek gedaan naar de cumulatie van geluid, en vanwege het nemen van diverse maatregelen, waaronder het gebruik van tweelaags ZOAB, zou de gecumuleerde geluidbelastingen van alle ontwikkelingen samen niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Bovendien zou worden voldaan aan de in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer gestelde eisen.

    De Afdeling meende dat beoordeeld moet worden of de geluidssituatie zo slecht is, dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt had moeten stellen dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning en dat een woonbestemming voor het perceel daarom niet wenselijk is. Dat wordt voldaan aan de in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer gestelde eisen vormt een indicatie dat er sprake is van een woon- en leefklimaat, maar dit betekent niet zonder meer dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegeven.

    Bij de belangenafweging dient ook te worden gekeken naar andere relevante aspecten, zoals het feit dat er in de bestaande situatie al sprake is van een zeer hoge geluidbelasting op de woning – te weten 71 dB op de gevel. Aan het voorheen geldende bestemmingsplan uit 2013 is geen akoestisch onderzoek ten grondslag gelegd waarin de geluidssituatie voor dit perceel specifiek is onderzocht. De gemeenteraad heeft de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat bij deze woning destijds niet volledig afgewogen en beoordeeld, en had dat in het kader van het thans voorliggende bestemmingsplan alsnog moeten doen. Volgens de Afdeling kon de gemeenteraad daarom niet volstaan met de constatering dat de geluidsituatie niet verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Verder heeft de gemeenteraad geen rekening gehouden met de hoge geluidbelasting op de tuin en de naar voren gebrachte wens van appellant om geen woonbestemming meer toe te kennen aan het perceel. De gemeenteraad heeft derhalve bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat niet alle relevante factoren betrokken, en had daarom niet de conclusie mogen trekken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

    Indien de geluidbelasting op de gevel van de woning significant lager zou zijn geweest, zou het argument van de gemeenteraad dat de situatie door vaststelling van het bestemmingsplan geen (wezenlijke) verslechtering met zich mee zou brengen mogelijk voldoende zijn geweest. De essentie van deze zaak is dat het in stand laten van een zeer slecht woon- en leefklimaat in een nieuw bestemmingsplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, zeker als daar niet eerder naar is gekeken.

  • Onrechtmatige hinder 17 juli 2018 LinkedIn printen

    Om hinder te voorkomen voor omwonenden van bepaalde industriële activiteiten, gelden milieuregels. Ondanks het voldoen aan de geldende milieuregels kan sprake zijn van onrechtmatige hinder. Op 16 juni 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dit onderwerp (HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, AB 2018/117).

    In deze procedure stond een pluimveehouderij tegenover eigenaren van de in de omgeving van de die pluimveehouderij gelegen recreatiewoningen. De eigenaren van de recreatiewoningen vorderden schadevergoeding vanwege onrechtmatig toegebrachte stankhinder afkomstig van de pluimveehouderij.

    De pluimveehouderij beschikte ten tijde van de hinder niet over een vereiste vergunning. Een dergelijke vergunning was herhaaldelijk verleend aan de pluimveehouderij, maar werd telkens vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De pluimveehouderij stelde dat geen sprake kon zijn van onrechtmatige hinder, nu zij voldeed aan de milieuregels. Uit de geldende milieuregels volgde dat een bepaalde minimumafstand moest worden aangehouden tussen de inrichting die de geurhinder veroorzaakt en de te beschermen objecten. De pluimveehouderij betoogde dat zij ruimschoots aan die norm voldeed. De minimumafstand was 400 meter en de werkelijke afstand tussen de pluimveehouderij en de dichtstbijzijnde recreatiewoning op het park was 427 meter.

    De Hoge Raad ging niet mee in het betoog van de pluimveehouderij en oordeelde dat sprake was van onrechtmatige geurhinder jegens de eigenaren van de recreatiewoningen. Van belang voor deze uitkomst was het volgende.

    Naast de geldende milieuregels is artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek relevant voor het voorkomen van hinder voor omwonenden. Uit dit artikel volgt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Ondanks dat is voldaan aan de geldende milieuregels kan sprake zijn van onrechtmatige hinder ingevolge artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek.

    De beantwoording van de vraag of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235, NJ 1991/476) afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor de vraag of jegens een derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder.

    Volgens de Hoge Raad vloeit uit het vorenstaande voort dat voor het antwoord op de vraag of sprake was van onrechtmatige geurhinder, niet zonder meer bepalend was of werd voldaan aan de geldende milieuregels.

    Ondanks het beschikken over een vereiste vergunning en/of het voldoen aan de geldende milieuregels kan dus sprake zijn van onrechtmatige hinder en schadeplichtigheid.

  • Basis voor nieuw voorschrift 17 juli 2018 LinkedIn printen

    De meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag oordeelde bij uitspraak van 28 juni 2018 (in de zaken met kenmerk SGR 17/3754 en 17/3801) dat het bevoegd gezag in de zin van de Wabo de voorschriften bij een milieuomgevingsvergunning op basis van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet alleen kan wijzigen in geval van de ‘ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu’ zoals letterlijk uit dat artikellid volgt, maar ook in geval van ‘nieuwe kennis’ over de milieugevolgen van de activiteiten van de inrichting.

    De zaak betreft de inrichting van Chemours, die synthetische polymeren waaronder Teflon (PTFE) produceert. Het lijkt er op dat het bevoegd gezag is gekomen tot een aanscherping van de vergunningsvoorschriften na de relatief recente publieke aandacht voor PTFE en de schadelijke gevolgen van die stof voor het milieu. Chemours was in beroep opgekomen tegen de ambtshalve wijziging van de emissievoorschriften bij haar milieuomgevingsvergunning. Zij stelde dat de ontwikkelingen zich moeten hebben voorgedaan na verlening van de laatste revisievergunning aan het bedrijf voordat sprake kan zijn van ‘ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu’. Daar zou in dit geval geen sprake van zijn, zodat gedeputeerde staten van Zuid-Holland niet bevoegd zouden zijn om de voorschriften bij de vergunning ambtshalve te wijzigen.

    Uit het bestreden besluit tot oplegging van die wijziging volgt ook dat de aanleiding daarvoor niet de ontwikkeling (lees: verslechtering) van de kwaliteit van het milieu zelf was, maar nieuwe informatie daarover.

    De rechtbank meende echter dat het betreffende artikellid ruim moet worden uitgelegd, gebaseerd op de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis. De rechtbank wijst er op dat dit artikellid volgens de Memorie van Toelichting bij de wet tot doel heeft een zo groot mogelijke bescherming van het milieu te bewerkstelligen. Gelet daarop is het volgens de rechtbank ook niet vereist dat er wetenschappelijke zekerheid bestaat over de exacte milieugevolgen van de geëmitteerde stoffen (E1).

    Een en ander komt er op neer dat nieuwe kennis over bepaalde milieugevolgen alsnog aanleiding kan zijn voor aanscherping van de voorschriften die zijn verbonden aan een milieuomgevingsvergunning, hoewel het bevoegd gezag daar bij verlening van de laatste revisievergunning nog niet aan heeft gedacht. Ter (verdere) beperking van de (negatieve) ontwikkelingen in de kwaliteit van het milieu die zich al voor verlening van de revisievergunning voordeden, kan dan alsnog een vergunningsvoorschrift worden aangescherpt. Dit lijkt ons overigens wel anders te zijn indien het bevoegd gezag geacht wordt die ontwikkelingen al te hebben gekend ten tijde van de verlening van de laatste revisievergunning. Dat wordt ons inziens bevestigd in andere jurisprudentie.

  • Vrijstellingen bestemmingsplan 17 juli 2018 LinkedIn printen

    Volgens vaste jurisprudentie dienen burgemeester en wethouders de laatste ontwikkelingen van het recht mee te nemen in de beslissing op bezwaar (ex nunc). Als het bouwplan echter ten tijde van de aanvraag in overeenstemming was met het bestemmingsplan, er geen voorbereidingsbesluit van kracht was en ook geen ontwerp van een nieuw bestemmingsplan ter inzage was gelegd waarmee het bouwplan in strijd is, dan moet een eventueel nieuw bestemmingsplan bij de beslissing op bezwaar tegen de weigering van een bouwomgevingsvergunning buiten beschouwing worden gelaten (ex tunc).

    Bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State speelde een zaak waarin burgemeester en wethouders van Heemskerk vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van een ambachtelijke bierbrouwerij hadden geweigerd. De initiatiefnemers voor de bierbrouwerij waren tegen die weigering opgekomen. Ten tijde van de beslissing op bezwaar was er een nieuw bestemmingsplan waarin de bierbrouwerij niet was toegestaan. Daar hadden burgemeester en wethouders aan getoetst. De appellanten stelden in beroep dat nog aan het oude bestemmingsplan had moeten worden getoetst. Daar ging de rechtbank ook vanuit.

    De Afdeling oordeelde echter in haar uitspraak van 27 juni 2018 (in zaak 201704207/1/A1) dat de toetsing ex tunc zoals die in de hiervoor omschreven gevallen voor de beslissing op bezwaar tegen de weigering van een bouwomgevingsvergunning geldt, niet van toepassing is bij de beslissing op bezwaar omtrent een aanvraag om het afwijken van het bestemmingsplan.

  • Overbrenging AVI-vliegas 02 maart 2018 LinkedIn printen

    Mr. A.H. Gaastra en mr. J.B.J. van der Kolk hebben een artikel geschreven met de titel “Is de overbrenging van AVI-vliegas voor het opvullen van Duitse mijnen in strijd met het Europese afvalstoffenrecht?” dat gepubliceerd is in het tijdschrift Milieu & Recht, Aflevering 1, 2018/2, p. 2 tot en met 9. U treft het volledige artikel hier.

    In het artikel wordt gemotiveerd uiteen gezet dat de overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen, waaronder AVI-vliegas, voor het opvullen van uitgegraven ruimtes van (Duitse) mijnen onder de noemer ‘nuttige toepassing’ in strijd is met het Europese afvalstoffenrecht. Het is artikel is geschreven naar aanleiding van een advies over deze kwestie dat in opdracht van een in Nederland gevestigd afvalstoffenbedrijf is uitgebracht. 

    Op grond van het Europese afvalstoffenrecht kwalificeert elke handeling met afvalstoffen als een handeling van ‘nuttige  toepassing’ of als ‘verwijderingshandeling’. Op 28 juli 2016 heeft het Europese Hof van Justitie in zaak nr. C-147/15 arrest gewezen en daarin antwoord gegeven op de vraag onder welke voorwaarden het opvullen van een stilgelegde steengroeve in Italië met ‘niet uit de winningsindustrie afkomstig afval’ kan kwalificeren als ‘nuttige toepassing’ (ECLI:EU:C:2016:606, hierna: het arrest Bari/Mastrodonato). Dit arrest heeft ons inziens ook betekenis voor de opvulling van uitgegraven ruimtes van (Duitse) mijnen met (niet-inerte of) gevaarlijke afvalstoffen (zoals AVI-vliegas) en het anderszins brengen van (dergelijke) afvalstoffen in de bodem of ondergrond. Gelet op de overwegingen van het Hof in dit arrest ten aanzien van het in het afvalstoffenrecht relevante begrip ‘nuttige toepassing’, kwalificeert de opvulling van Duitse mijnen met gevaarlijke afvalstoffen naar onze opvatting niet (meer) als ‘nuttige toepassing’, maar als ‘verwijdering’. Gelet hierop zou de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat dan ook bezwaar moeten maken tegen deze overbrengingen op basis van de verkeerde indeling als ‘nuttige toepassing’ en het beginsel van zelfvoorziening. 

  • PGS heeft geen directe werking 05 december 2017 LinkedIn printen

    Gaastra advocaten is betrokken bij verschillende zaken waarin het bevoegd gezag zich op het standpunt stelt dat de drijver van een inrichting aan één of meerdere voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zou moeten voldoen, terwijl (een specifieke verwijzing naar) dergelijke voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn niet in een voorschrift bij de vigerende omgevingsvergunning milieu is (of zijn) opgenomen. Dit standpunt is onjuist.

    Voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zijn immers niet (zomaar) op een inrichting van toepassing. Uitgangspunt is dat de (milieu)eisen waaraan de drijver van een inrichting zou moeten voldoen, volgen uit de omgevingsvergunning(en) milieu (en eventuele andere omgevingsvergunningen) op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de daaraan verbonden voorschriften en de algemene regels die voor de inrichting gelden.

    Daarnaast zijn er voorbeeldvoorschriften die in PGS-richtlijnen zijn opgenomen. PGS-richtlijnen zijn documenten over specifieke activiteiten met gevaarlijke stoffen die door deskundigen zijn opgesteld. Zo heeft PGS 15 bijvoorbeeld betrekking op de ‘Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen’ en heeft PGS 29 betrekking op de ‘Bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in cilindrische tanks’.

    Een PGS-richtlijn betreft geen direct bindende wet- en regelgeving. Hoewel PGS-richtlijnen in de Regeling omgevingsrecht als informatiedocument over best beschikbare techniek kunnen worden aangemerkt, hebben PGS-richtlijnen geen directe werking. Het is dus niet zo dat de drijver van een inrichting verplicht zou zijn om onverkort aan alle (nieuwe) voorbeeldvoorschriften van een (herziene versie van een) PGS-richtlijn te voldoen, indien binnen de desbetreffende inrichting activiteiten zouden worden ontplooid die zouden vallen onder een PGS-richtlijn.

    Voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zouden alleen bindend voor een inrichting kunnen worden door middel van een verwijzing naar specifieke voorbeeldvoorschriften van een PGS-richtlijn in een voorschrift bij de omgevingsvergunning milieu van de desbetreffende inrichting.

    Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt voorts dat een algemene verwijzing naar (onderdelen van) een PGS-richtlijn in een voorschrift bij een omgevingsvergunning milieu niet is toegestaan. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan in een vergunningvoorschrift slechts met een verwijzing naar (onderdelen van) een PGS-richtlijn worden volstaan, als voldoende duidelijk is welke verplichtingen in het concrete geval uit die (onderdelen van de) PGS-richtlijn voortvloeien. Zonder nadere concretisering in voorschriften is immers niet duidelijk welke voorzieningen op grond van (bepaalde onderdelen van) een PGS-richtlijn zouden moeten worden getroffen. Een algemene verwijzing naar (onderdelen van) een PGS-richtlijn wordt dan ook in strijd geacht met het rechtszekerheidsbeginsel, dat eist dat de verplichtingen die voortvloeien uit een aan een vergunning verbonden voorschrift duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn (zie ABRvS 15 september 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN7026, r.o. 2.6.3).

    Het verdient daarom aanbeveling om te onderzoeken of het bevoegd gezag zich in een concreet geval wel terecht op het standpunt stelt dat de drijver van een inrichting aan één of meerdere voorbeeldvoorschriften uit een PGS-richtlijn zou moeten voldoen. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval zou mogelijk voorkomen kunnen worden dat onnodige voorzieningen (op een te korte termijn) zouden moeten worden getroffen. 

  • Grenswaarden luchtkwaliteit 13 september 2017 LinkedIn printen

    De Nederlandse Staat kan de luchtkwaliteit niet verbeteren, ook al zou zij dat willen.

    In Nederland wordt niet voldaan aan de Europese grenswaarden voor de luchtkwaliteit. De kort gedingrechter in Den Haag heeft de Staat op vordering van Milieudefensie en de Stichting Adem in zijn beslissing van 7 september 2017 veroordeeld om binnen twee weken te beginnen met het opstellen van een luchtkwaliteitsplan dat voldoet aan de Europese richtlijn betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa. De Staat moet ook in kaart brengen waar nog sprake is of zal zijn van te verwachten overschrijdingen en de Staat mag geen maatregelen meer nemen die tot nieuwe overschrijdingen van de grenswaarden voor stikstofdioxide of en fijnstof zullen leiden. Er loopt ook een bodemprocedure, maar die kan volgens de kortgedingrechter niet worden afgewacht.

    De vraag is; zet dit nu echt zoden aan de dijk of is het een symbooluitspraak. De tweede vraag is of het door de milieubeweging gestelde doel ook echt kan worden bereikt.

    Het lijkt op een symbooluitspraak. De rechter is niet zover gegaan dat hij de Staat concreet voorschrijft welke maatregelen moeten worden genomen. Dat valt volgens de rechter onder de beleidsvrijheid van de Staat. De vordering die ertoe strekt dat onmiddellijk aansluitend op de identificatie van knelpunten maatregelen worden getroffen is dan ook afgewezen. Volgens de rechter is die vordering prematuur aangezien eerst een luchtkwaliteitsplan dient te worden vastgesteld, waarbij dient te worden onderzocht welke maatregelen nodig zijn. Dit geeft de Staat toch mogelijkheden om het plan tot op zekere hoogte naar eigen inzicht in te vullen. Wel is van belang dat nu goed moet worden gekeken naar  de eisen die de Europese richtlijn betreffende de luchtkwaliteit aan het plan stelt. De rechter meent dat de Staat daarin tekort is geschoten. Opvallend is ook dat de uitspraak van de rechter de Staat verplicht om binnen twee weken met het opstellen van een nieuw plan te beginnen. Dat zegt nog niet wanneer het plan klaar moet zijn. De Staat wordt immers niet veroordeeld om dat plan voor een bepaalde datum afgerond te hebben, laat staan te hebben uitgevoerd. Het lijkt er dus op dat de milieubeweging wel punten heeft gescoord maar met deze uitspraak nog niet bereikt wat ze eigenlijk wil, te weten het opleggen van de verplichting aan de Staat om concrete maatregelen te nemen die binnen een bepaalde periode ook tot resultaat zullen gaan leiden. Het verbod om nieuwe maatregelen te nemen die tot een voortgaande danwel hernieuwde overschrijding zal leiden is wat meer concreet, maar lost de bestaande overschrijdingen niet op.

    Het allergrootste probleem waar de Staat ten aanzien van de luchtkwaliteit mee zit, is waarschijnlijk dat zij maar zeer beperkt invloed heeft op de maatregelen die zouden moeten worden genomen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Een belangrijk deel van de verontreiniging komt immers over de grens uit het buitenland aanwaaien. Tevens zijn onherroepelijke vergunningen verleend voor allerlei activiteiten die luchtverontreiniging veroorzaken. Er zijn ook vele activiteiten die luchtverontreiniging veroorzaken en waarvoor niet eens een vergunning nodig is. Hoewel het de bedoeling is dat een dergelijk plan ook daadwerkelijk leidt tot vermindering van de luchtverontreiniging tot beneden de Europese grenswaarden, zal meen ik op enig moment ook moeten worden onderkend dat de Staat onvoldoende middelen in handen heeft om dit uiteindelijk te kunnen bereiken.

ouder

terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu