Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Nieuwe Awb-bundel 25 februari 2013 LinkedIn printen

    Famke van Dam en Alex Meijer hebben een nieuwe Awb-bundel uitgebracht. Deze bundel is bedoeld voor de student of praktijkjurist die een handzame en betaalbare Awb-teksteditie zoekt.

    Normaal gesproken verschijnt deze Awb-pocket ter gelegenheid van het nieuwe academische jaar. Deze keer speciaal ter gelegenheid van de inwerkingtreding van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht per 1 januari 2013.

    De bundel is bijgewerkt tot 1 februari 2013.

    Voor verkoop van de bundel en meer inhoudelijke informatie klik hier.

    Voor meer informatie en op of opmerkingen kunt u contact opnemen met:

    Famke van Dam: fvandam@ga-law.eu
    Alex Meijer:         alex.meijer@vmwtaxand.nl

     

  • De Warmtewet 31 januari 2013 LinkedIn printen

    De regulering van warmtelevering is al lang onderwerp van discussie. Het initiatief tot het opstellen van een Warmtewet van enkele Tweede Kamerleden dateert alweer van meer dan tien jaar geleden. Inmiddels is echter het einde van de procedure in de Tweede Kamer in zicht.

    Zoals de ontwerptekst nu is geformuleerd zal de Warmtewet op de eerste plaats gevolgen hebben voor de traditionele warmteproducenten en warmteleveranciers; de energiemaatschappijen. De belangrijkste begrippen uit de wet zijn echter zodanig geformuleerd dat woningcorporaties, die gebouwen verhuren waar een blokverwarmingssysteem is aangelegd en warmte via het collectieve systeem doorleveren aan de afzonderlijke woningen, ook vallen onder het bereik van de Warmtewet. Woningcorporaties zullen daardoor onder meer geconfronteerd worden met gereguleerde tarieven, een vooraf vastgesteld maximaal rendement en verplichtingen aan de warmteleveringsovereenkomst. De Warmtewet zal daarbij komen te gelden naast de overige regelgeving die geldt voor woningcorporaties en kan deze regelgeving mogelijk doorkruizen.

    In zijn artikel behandelt Jan Rube eerst kort de achtergrond van de Warmtewet. Vervolgens zet hij kort uiteen hoe woningcorporaties zouden kunnen worden gekwalificeerd in het licht van de Warmtewet waarna hij de belangrijkste onderdelen van de Warmtewet voor woningcorporaties zal behandelen. Ten slotte plaatst Jan Rube enkele kanttekeningen bij de huidige redactie van de Warmtewet in relatie tot woningcorporaties en volgt er een slotbeschouwing.

  • Inperking rechtsbescherming 30 januari 2013 LinkedIn printen

    André Gaastra en Marijn Bodelier hebben een in het tijdschrift Mr. gepubliceerd artikel geschreven omtrent de steeds verder gaande inperking van de rechtsbescherming voor burgers en bedrijven tegen besluiten van de overheid.

    De wetgever heeft een aantal jaar geleden, in de Crisis- en herstelwet, de groep van belanghebbenden ingeperkt die tegen besluiten voor bepaalde grote projecten op kunnen komen. Belanghebbenden kunnen niet opkomen  tegen overheidsbesluiten, als de norm waar zij een beroep op doen niet is bedoeld om hun eigen belang te beschermen. Sinds 1 januari 2013 is dit ‘relativiteitsvereiste’ van toepassing op alle besluiten van de overheid en niet alleen op die onder de Crisis- en herstelwet. En andere inperking in de rechtsbescherming is gelegen in de mogelijkheid om besluiten in stand te laten als de overheid zich niet aan de regels heeft gehouden.

    Gaastra en Bodelier waarschuwen ervoor dat het beperken van rechtsbescherming de besluitvorming niet zal bevorderen. Een ruime mate van rechtsbescherming is wat hen betreft een essentiële voorwaarde voor de verbetering van de besluitvorming, omdat het de overheid blijvend dwingt om eerst goed na te denken voordat het een besluit neemt.

  • Wijziging bestuursprocesrecht 15 januari 2013 LinkedIn printen

    De Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Wab) stelt de vereenvoudiging en verbetering van het bestuursprocesrecht ten doel, waarmee de Algemene wet bestuursrecht (Awb) grondig word gewijzigd. Hieronder volgt een opsomming en korte toelichting van de belangrijkste wijzigingen.
     
    Het relativiteitsvereiste
    De meest in het oog springende wijziging is de invoering van het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a Awb. Dit vereiste was al in het kader van de Crisis- en herstelwet ingevoerd, maar gaat nu gelden voor het gehele bestuursprocesrecht. Op grond van het relativiteitsvereiste vernietigt de bestuursrechter een besluit niet indien strijd bestaat met een (on)geschreven rechtsregel maar deze rechtsregel niet strekt tot de bescherming van de belangen van degene een die beroep op deze regel doet.

    Passeren gebreken
    De wijziging van artikel 6:22 Awb maakt het mogelijk om bij een geconstateerde schending van een (on)geschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel dit gebrek te passeren indien aannemelijk wordt gemaakt dat de belanghebbenden door dit gebrek niet zijn benadeeld.

    Antwoordkaartmethode
    Met de invoering van de zogenoemde antwoordkaartmethode is een nieuwe mogelijkheid voor bestuursorganen geschapen om af te zien van het horen van belanghebbenden. Ingevolge artikel 7:3 aanhef en onder d. Awb is het mogelijk om tijdens de bezwaarfase van het horen af te zien indien de belanghebbende niet binnen een door het bestuursorgaan gestelde redelijke termijn verklaart dat hij gebruik wil maken van het recht te worden gehoord.

    Verlegging van het zwaartepunt van een besluit en finaliteit
    De wetgever heeft met de wijzigingen in de Awb het zwaartepunt in de bezwaar- en beroepsprocedure verlegd van een oordeel over de formele facetten van het geschil naar de beoordeling van de inhoud en de gevolgen van het besluit voor de belanghebbenden. Dit heeft enerzijds tot gevolg voor bestuursorganen dat aan besluiten klevende gebreken makkelijker kunnen worden gepasseerd. Anderzijds zal een bestuursorgaan bij de totstandkoming van een besluit meer aandacht dan voorheen zal moeten besteden aan de gevolgen van dat besluit voor belanghebbenden. Daarbij heeft de wetgever beoogd dat in een bestuursrechtelijke procedure meer aandacht wordt besteed aan het finaal beslechten van het geschil, hetgeen beter mogelijk is vanwege de verlegde aandacht naar de inhoud van een besluit.

  • Uitbreiding registratieplicht 06 november 2012 LinkedIn printen

    Deze uit artikel 437 Wetboek van Strafrecht en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit voortvloeiende verplichting, wordt per 1 januari 2013 uitgebreid. Op dit moment rust de registratieplicht al op inkopers van onder andere gebruikt en ongeregeld goud, zilver en platina. Per 1 januari 2013 zal deze registratieplicht gaan gelden voor opkopers van alle metalen. Legeringen  en metalloïden vallen in dit kader ook onder het begrip “metalen”. De wijziging van het uitvoeringsbesluit is een uitvloeisel van het Convenant Actie Koperslag. In dit convenant zijn maatregelen opgenomen die de heling van gestolen koper moeten terugdringen.
    Tevens wordt de hoeveelheid te registreren gegevens in sommige gevallen uitgebreid. Als er sprake is van contante inkoop van koper(-legeringen) dient het nummer van het identiteitsbewijs van de verkoper te worden geregistreerd. Zodoende ontstaat bij de contante inkoop van koper(-legeringen) een identificatieplicht. Voor andere metalen geldt deze identificatieplicht niet. De wetgever heeft er expliciet niet voor gekozen om het opnemen van een kopie van het identiteitsbewijs in het registratieregister te verplichten. Dit vanwege  de strenge eisen die de Wet bescherming persoonsgegevens stelt voor het opslaan van dergelijke kopieën.
    Op gebruikte en ongeregelde goederen die door een opkoper zijn verworven voor 1 januari 2013 is de uitgebreide registratieplicht niet van toepassing.

  • Wet Bibob 30 augustus 2012 LinkedIn printen

    André Gaastra en Jan Schinkelshoek waarschuwen in het in Binnenlands Bestuur gepubliceerde artikel voor een ondoordacht en ongenuanceerd gebruik van de Wet Bevordering van Integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob). De Wet Bibob geeft bestuursorganen de mogelijkheid om een vergunning of subsidie in te trekken dan wel te weigeren als het van oordeel is dat er ernstig gevaar bestaat dat die vergunning of subsidie gebruikt zal worden om strafbare feiten te plegen. In de praktijk pakt het Bibob-instrumentarium nogal eens grof en disproportioneel uit.

    Lees hier het artikel Bibob: meer integriteit (in Binnenlands Bestuur, juli 2012).

  • Seveso III-richtlijn 15 augustus 2012 LinkedIn printen

    Door de Europese Commissie (hierna: de Commissie) en het Europees Parlement is overeenstemming bereikt over het wijzigen van de Seveso-richtlijn. De belangrijkste redenen voor de wijziging van de Richtlijn is de CLP-verordening en het Verdrag van Aarhus.

    De Seveso-richtlijn legt lidstaten en exploitanten van inrichtingen  verplichtingen op om ongevallen te voorkomen en hun gevolgen te beperken. Ongeveer 10.000 inrichtingen waar gevaarlijke stoffen in voldoende grote hoeveelheden aanwezig zijn om een gevaar voor zware ongevallen op te kunnen leveren vallen onder de werking van de Seveso-richtlijn. De vaststelling van de Richtlijn in de jaren tachtig was een reactie op zware industriële ongevallen, zoals die in Bhopal en Seveso.

    De CLP-verordening betreft de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels en introduceert binnen de Europese Unie het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen. De CLP-verordening  vervangt de Gevaarlijke stoffenrichtlijn en de Preparatenrichtlijn .Op 1 juni 2015 wordt de CLP-verordening van kracht.

    Bijlage 1 bij de Seveso-richtlijn somt de gevaarlijke stoffen op die binnen de reikwijdte van de Seveso-richtlijn vallen. In Bijlage 1 wordt verwezen naar de door de CLP-verordening te vervangen Gevaarlijke stoffenrichtlijn en de Preparatenrichtlijn. Hierdoor zal de samenhang tussen de Seveso-richtlijn en de wetgeving over de indeling van gevaarlijke stoffen komen te vervallen. De verschillende categorieën zullen dan ook worden vervangen door de toepasselijke categorieën uit de CLP-verordening. Er  kan bij de harmonisatie van de Seveso-richtlijn met de CLP-verordening gesproken worden over afgeleide wetgeving.

    De Commissie besloot in 2008 om de Seveso-richtlijn in overeenstemming te brengen met de CLP-verordening. Er is destijds door de Commissie voor gekozen om de gehele  Seveso-richtlijn aan een volledige herziening te onderwerpen. De bevindingen uit deze herziening waren voor de Commissie aanleiding om te concluderen dat ingrijpende en fundamentele wijzigingen ten aanzien van de basisstructuur en de belangrijkste bepalingen van de Richtlijn niet nodig waren.

    Door de Commissie is getracht het aantal veranderingen zo veel mogelijk te beperken. Toch zijn er een aantal veranderingen die invloed hebben op de reikwijdte van de Seveso-richtlijn. Zo is daar de uitsplitsing van toxische stoffen aan de hand van nieuwe grenswaarden en blootstellingsroutes. Daarnaast worden er voor brandbare vloeistoffen andere vlampunten geïntroduceerd. Tenslotte worden er nieuwe categorieën zoals aerosolen, zelf ontledende stoffen en mengsels en organische peroxiden en pyrofore vloeistoffen en vaste stoffen toegevoegd.

    Tevens zijn door de Commissie wijzigingen voorgesteld die verband houden met de uitvoering van het Verdrag van Aarhus. Dit verdrag legt de lidstaten verplichtingen op omtrent de toegankelijkheid van informatie, openbare deelneming aan de besluitvorming en toegang tot de rechter in milieukwesties. Voorts wil de Commissie de voorschriften omtrent inspecties aanscherpen.

    De bovenstaande wijzigingen kunnen voor bedrijven belangrijke gevolgen hebben. Zo veranderen de uitsplitsing van toxische stoffen en de introductie van andere vlampunten voor brandbare vloeistoffen de indeling van gevaarlijke stoffen. Sommige bedrijven worden hierdoor Seveso-inrichtingen, terwijl andere inrichtingen niet meer als zodanig zullen worden aangemerkt. Daarnaast zullen door de introductie van nieuwe categorieën de reikwijdte van de Seveso-richtlijn in de praktijk worden uitgebreid.

  • Geluidproductieplafonds 19 juni 2012 LinkedIn printen

    Het kabinet is van mening dat de Wet geluidhinder onvoldoende bescherming biedt tegen de gevolgen van de groei van het verkeer. Een wijziging van de wet- en regelgeving op het gebied van geluid is volgens het kabinet dan ook gewenst.
    De drie pijlers van de nieuwe regels omtrent geluidbelasting zijn het beheersen van de geluidsbelasting, het reduceren van de geluidsbelastingen en het intensiveren van het inzetten van bronmaatregelen.
    Deze pijlers worden vormgegeven door de drie volgende instrumenten:
    - geluidproductieplafonds;
    - een omvangrijke saneringsoperatie;
    - het stellen van eisen aan de akoestische kwaliteit van wegen en spoorwegen.
    Geluidproductieplafonds geven de geluidproductie aan die een weg of spoorweg maximaal mag voortbrengen aan weerszijden van de aan de (spoor) weg gelegen punten, en dienen, eventuele wijzigingen daargelaten, te worden nageleefd. Een geluidproductieplafond wordt bij besluit vastgesteld en dient door de beheerder van de (spoor) weg te worden nageleefd. Het geluidproductieplafond staat vast en kan alleen via een met waarborgen omklede procedure worden gewijzigd. Daarnaast biedt het geluidproductieplafond de beheerder een gewaarborgde geluidruimte. Zolang het plafond niet wordt doorbroken kan de (spoor) weg zich verder ontwikkelen. Een verdere ontwikkeling van de (spoor) weg kan de beheerder bewerkstelligen door het treffen van (bron) maatregelen.
    Voor de burger betekent het nieuwe systeem volgens het kabinet een duidelijke verbetering. In de huidige systematiek is er namelijk geen voortdurende aanspraak op het niet overschrijden van een vastgestelde waarde van de geluidsbelasting. Iedere bewoner van een woning nabij een rijksweg of hoofdspoorweg weet bovendien dat zijn woning in de eerste tien jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe regels zal worden beoordeeld met het oog op het treffen van saneringsmaatregelen.
    Een aanvankelijk nadeel ondervinden de bewoners van een woning nabij een bestaande rijksweg of hoofdspoorweg wel doordat bij inwerkingtreding van de nieuwe regels van rechtswege geluidproductieplafonds worden ingevoerd met een werkruimte van 1,5 dB. De werkruimte van 1,5 dB staat een groei van het verkeer toe. Dit is geen achteruitgang in vergelijking met de huidige wet- en regelgeving. Bewoners worden namelijk onder de huidige wetgeving niet beschermd tegen toename van geluid als er geen sprake is van een reconstructie of wijziging van een (spoor) weg. Als er wel sprake is van een reconstructie dan wel een wijziging van een (spoor) weg, geniet de bewoner pas bescherming wanneer de geluidsbelasting met meer dan 1,5 dB toeneemt ten opzichte van de geluidsproductie van vlak voor de reconstructie of wijziging. Op deze wijze staat de huidige wetgeving dus alle groei toe die voor de reconstructie plaats vond, en staat daarbij tevens een groei van 1,5 dB toe.
    De nieuwe wet- en regelgeving vervangt, waar het de rijksinfrastructuur betreft, de bestaande regels met betrekking tot de aanleg en reconstructie van een weg en de aanleg of wijziging van een spoorweg. Op de bouw van geluidsgevoelige objecten langs wegen en spoorwegen met geluidproductie blijven voorlopig de bestaande regels van de Wet geluidhinder van toepassing.
    De introductie van geluidproductieplafonds in de Wet milieubeheer is onderdeel van een proces dat uiteindelijk moet leiden naar de volledige integratie van de Wet geluidhinder in de Wet milieubeheer en staat gepland voor 1 juli 2012.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu