Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Drempel passieve kiesrecht 09 juni 2017 LinkedIn printen

    André Gaastra en Jan Schinkelshoek, oud-Tweede Kamerlid voor het CDA en directeur bij het communicatieadviesbureau Schinkelshoek & Verhoog in Den haag hebben samen een artikel geschreven.

    U treft de publicaties van dit artikel hier aan (de publicatie in Binnenlands Bestuur en de publicatie in De Hofvijver).

  • Veiligheid bij evenementen 30 november 2016 LinkedIn printen

    Mr. A.H. Gaastra heeft op 7 december gesproken op het congres ‘Veiligheid bij Evenementen’, dat plaats heeft gevonden op The Hague Security Delta Campus (www. sbo.nl/veiligevenement). Hij heeft aandacht besteed aan de juridische aansprakelijkheid bij fatale incidenten op evenementen. Daarbij zijn vanzelfsprekende vragen aan de orde geweest, zoals wie verantwoordelijk is, welke schade zou kunnen worden geclaimd en of deze aansprakelijkheid kan worden voorkomen of ingeperkt. Zijn presentatie treft u hier aan.

  • Who's Who Legal erkent Gaastra 18 december 2015 LinkedIn printen

    Andre Gaastra is erkend als een van de meest vooraanstaande milieurechtadvocaten in Nederland. Hij beschreef de recente ontwikkelingen van het milieurecht in Nederland in de laatste editie van Who’s Who Environment.

    Klik hier voor het artikel.

  • De nieuwe Omgevingswet 04 december 2015 LinkedIn printen

    Op dit moment ligt het wetsvoorstel voor een nieuwe Omgevingwet bij de Eerste Kamer. Het betreft een gigantische wetgevingsoperatie die moet leiden tot de integratie van een groot aantal wetten en AMvB’s. De belangrijkste instrumenten van de Omgevingswet zullen de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma, het omgevingsplan de omgevingsvergunning en het projectbesluit zijn. Een groot deel van het concrete toetsingskader (van bijvoorbeeld omgevingsvergunningen) zal worden uitgewerkt in uitvoeringsbesluiten en -regelingen. Het is thans de bedoeling van de regering dat de concrete regels worden uitgewerkt in vier AMvB’s (het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving).

    De Raad voor de Leefomgeving (een onafhankelijk adviesorgaan van de regering) heeft in december 2015 geadviseerd over de invulling van de nationale omgevingsvisie en over de uitvoeringsregelgeving (met name over het Omgevingsbesluit en het Besluit kwaliteit leefomgeving). De Raad adviseert een omgevingsvisie op te stellen die zich vooral concentreert op vier opgaven: de energietransitie, klimaatadaptatie, het verbeteren van de ruimtelijk-economische infrastructuur en de transformatie van het landelijk gebied. Wat betreft de AMvB’s adviseert de Raad om deze te beperken tot een selectief aantal kaders en kwaliteitsnormen. Er moet volgens de Raad gezocht worden naar zo veel mogelijk flexibiliteit – gericht op een samenhangende afweging met het oog op de leefomgevingskwaliteit – en goede procedurele waarborgen voor de burger. De Raad is voorstander ervan dat lagere overheden flexibel kunnen omgaan met omgevingsnormen en in een specifiek geval maatwerk kunnen leveren. Daar hoort volgens de Raad wel zekerheid over het proces bij. Flexibiliteit kan volgens de Raad ook leiden tot strengere normen op decentraal niveau.

    De Raad geeft voorts terecht aan dat de nieuwe Omgevingswet en de uitwerkende regelgeving een grote impact zullen hebben op Nederland. Het doel van de regering is om deze wet in 2018 in werking te laten treden. Het is naar ons inzicht van groot belang voor bedrijven dat zij zich tijdig vergewissen van de (mogelijke) gevolgen van deze nieuwe wet voor hun bedrijfsvoering.

  • Correctie relativiteitseis 03 december 2015 LinkedIn printen

    In het bestuursprocesrecht geldt in beroepzaken tegen besluiten bij de bestuursrechter het relativiteitsvereiste. Op dit punt is het recht nog volop in ontwikkeling. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de rechter een bepaald besluit van de overheid niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. In de juridische literatuur speelt al langer de vraag of dit relativiteitsvereiste niet enigszins gecorrigeerd zou moeten kunnen worden in de praktijk, net als in het civiele recht reeds het geval is (de zgn. correctie Langemeijer). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft de staatsraad advocaat-generaal daarom (en omdat dit in een concrete zaak aan de orde kwam) recent verzocht een conclusie (anders gezegd, een advies) over dit onderwerp uit te brengen.

    Op 2 december 2015 heeft de staatsraad advocaat-generaal zijn conclusie over dit onderwerp gepubliceerd. Daarin adviseert hij kort gezegd het relativiteitsvereiste te corrigeren, in die zin dat "de schending van een wettelijke norm die niet de bescherming beoogt van de belangen van een belanghebbende, kan bijdragen tot het oordeel dat het vertrouwensbeginsel of gelijkheidsbeginsel is geschonden". Er zal volgens de staatsraad advocaat-generaal sprake kunnen zijn van schending van het vertrouwensbeginsel in deze zin als een bevoegd persoon namens een bestuursorgaan concrete verwachtingen heeft gewekt dat het bedrijf of de omwonende zou worden beschermd door de wettelijke norm. Het gelijkheidsbeginsel zal volgens de staatsraad advocaat-generaal kunnen zijn geschonden als een bedrijf aannemelijk maakt dat het zich in een vergelijkbare situatie bevindt als het concurrerende bedrijf op het punt van de toepasselijke wettelijke voorschriften en relevante feiten. Hiervan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als een bedrijf aannemelijk maakt dat aan de vergunning die aan een concurrerend bedrijf is verleend niet de voorschriften zijn verbonden die daaraan op grond van de wet moeten worden verbonden, terwijl die voorschriften wel aan de eigen vergunning van het bedrijf zijn verbonden.

    Deze correctie zal met name relevant kunnen zijn in gevallen waarbij een concurrent tegen een besluit ten gunste van een ander bedrijf beroep instelt. Voor omwonenden had de Afdeling in haar jurisprudentie al enkele scherpe kanten van het relativiteitsvereiste afgehaald (door de staatsraad advocaat-generaal aangeduid als de ‘parallele belangencorrectie’ en de ‘verwevenheidcorrectie’). Als deze nieuwe correctie door de Afdeling wordt overgenomen, kan het naar ons inzicht van essentieel belang zijn dat een beroepsgrond wordt vormgegeven met deze correcties in het achterhoofd, zodat wordt voorkomen dat het relativiteitsvereiste aan vernietiging van het bestreden besluit in de weg staat.

  • Bouwleges Rotterdam vernietigd 28 oktober 2015 LinkedIn printen

    Recent heeft de rechtbank Rotterdam een belangwekkende uitspraak gedaan over de legesverordening van de gemeente Rotterdam. Deze legesverordening is door de rechtbank onverbindend verklaard. De eiser in de zaak die aan de orde was heeft beroep ingesteld tegen de aanslag van leges voor de bouw van 8 vrijstaande villa’s op een locatie binnen de gemeente Rotterdam. De bouwsom van iets meer dan € 1,3 miljoen leidde met toepassing van de gemeentelijke legesverordening tot een legesbedrag van meer dan € 100.000.

    Gemeenten hebben een ruime beleidsvrijheid bij de vaststelling van belastingverordeningen en de daarin op te nemen maatstaven voor de gemeentelijke belastingen en rechten. Uit de wetsgeschiedenis volgt ook dat het de gemeenten in beginsel vrijstaat die heffingsmaatstaven op te nemen die zich het beste verstaan met het gemeentelijk beleid en de praktijk van de belastingheffing. Voor rechterlijk ingrijpen is pas plaats indien de gekozen tariefstelling leidt tot willekeurige of anderszins onredelijke belastingheffing die de (formele) wetgever niet op het oog kan hebben gehad.

    Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval op het eerste gezicht al sprake van een onredelijke heffing. Uitgaande van een arrest van de Hoge Raad, waarin is vastgelegd dat een bescheiden percentage van 2,25% van de bouwkosten niet kan worden aangemerkt als willekeurig of onredelijk, heeft de toepassing van de legesverordening Rotterdam in dit geval geleid tot een legesbedrag ter hoogte van ongeveer 7,3 procent van de bouwkosten en is de rechtbank van oordeel dat dit percentage dermate hoog is dat niet (meer) van een bescheiden percentage van de bouwsom kan worden gesproken.

    Daarnaast leidt de in de verordening opgenomen heffingssystematiek (neergelegd in een tarieventabel waarin een vast tarief is opgenomen voor verschillende bandbreedtes van de bouwkosten) volgens de rechtbank tot een willekeurige en onredelijke belastingheffing. De rechtbank merkt op dat toepassing van deze tabel leidt tot hoogtes van de legesbedragen als percentage van de bouwsom in het patroon van een zaagtand, waarbij zowel binnen een categorie alsook op de grens van de verschillende categorieën aanzienlijke verschillen ontstaan in de te betalen bedragen. Er is volgens de rechtbank daarom geen evenredig verband te zien tussen de hoogte van de bouwsom en de hoogte van de leges als percentage daarvan. De percentages lopen uiteen van 4% in het meest gunstige geval tot 9,56% in andere denkbare gevallen.

    De rechtbank heeft op basis hiervan besloten dat de door de gemeente Rotterdam gehanteerde maatstaf, zoals neergelegd in de tarieventabel, onverbindend moet worden geacht. De rechtbank vernietigt en herroept daarom de in die zaak opgelegde aanslag.

    Hoewel de rechtbank alleen bepaalt dat de tarieventabel ten opzichte van de eisers in dit geval onverbindend moet worden geacht, kan het niet anders dan dat deze uitspraak een veel bredere werking zal hebben. Als de tarieventabel in dit geval leidt tot willekeur, is het immers zeer aannemelijk dat dit ook in vele andere zaken het geval zal zijn. De rechtbank Rotterdam heeft in deze zaak stevig positie gekozen. Het lijkt ons voor de hand te liggen dat de gemeente Rotterdam hoger beroep zal instellen. Hoewel het niet vaststaat dat de uitspraak van de rechtbank uiteindelijk stand zal houden, lijkt ons de kans daarop wel groot, gelet op de enorme verschillen in leges die de huidige legesverordening Rotterdam kan veroorzaken en de wijze waarop de rechtbank onderbouwt dat dit leidt tot willekeur. Het verdient daarom aanbeveling eventuele legesaanslagen van de gemeente Rotterdam in de komende periode kritisch te bekijken en eventueel bezwaar te maken.

  • Veiligheid bij evenementen 14 oktober 2015 LinkedIn printen

    L.S.,

    BETREFT: THEMAMIDDAG 13 NOVEMBER 2015 “VEILIGHEID BIJ EVENEMENTEN; HAAKSBERGEN, HOE NU VERDER?”

    Hierbij nodigen wij u uit voor de in de aanhef genoemde themamiddag die plaatsvindt op 13 november 2015 in het Beatrixgebouw van de Jaarbeurs, gevestigd aan het Jaarbeursplein te Utrecht, naast het NS Treinstation Utrecht Centraal. Ontvangst: 14.00 uur. Een routebeschrijving is aangehecht. Daarop zijn ook de parkeervoorzieningen aangegeven.

    Veiligheid bij evenementen

    Op 24 september 2014 heeft het college van B&W van de gemeente Haaksbergen een vergunning verleend voor het houden van een “monstertruck”-stuntshow ter plaatse. Bij die show is door een menselijke- en/of technische fout iets misgegaan, waardoor de truck is ingereden op het publiek. Gevolg: 3 doden en 28 gewonden.
    Inmiddels heeft de Onderzoeksraad voor Veiligheid in een rapport van 20 mei 2015 geoordeeld dat de gemeente (burgemeester en ambtenaren) in het vergunning-traject uit een optiek van “veiligheid” zijn tekortgeschoten. De bestuurder van de monstertruck en de evenementenorganisatie worden inmiddels strafrechtelijk vervolgd voor dood door schuld en het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel door schuld.
    Een voorlopige verkenning leert dat gemeenten thans terughoudend zijn om vergunningen voor (enigszins) risicovolle evenementen af te geven, kennelijk door beduchtheid voor afbraakrisico (“naming and shaming” in verband met ontoereikende taakuitoefening, straf- en civielrechtelijke aansprakelijkheid , vernietiging van vergunningen e.d.). Initiatiefnemers (evenementenorganisaties en degenen die feitelijk bij de uitvoering van de evenementen zijn betrokken) zijn op hun beurt beducht voor strafrechtelijke vervolging en civielrechtelijke aansprakelijkheid.
    Uiteraard speelt het vorenstaande niet alleen bij “monstertruck”-stuntshows, maar bij alle gevaarzettende activiteiten waar het publiek dicht op de activiteit staat , zoals wielren- en springruiterwedstrijden, kartevenementen, motorcross, bloemencorso’s, dance events etc.
    Ook bij andere grootschalige evenementen, zoals marathons, Sail Amsterdam, Oerol op Terschelling en evenementen in bungalowparken is het thema “veiligheid/risicobeheersing” op de hier aangeduide wijze nadrukkelijk aan de orde.

    Inhoud themamiddag

    Vragen/onderwerpen die tijdens de themamiddag aan de orde komen betreffen onder meer:
    1. Op welke wijze moeten vergunningaanvragen worden opgesteld en door wie worden deze beoordeeld?
    2. Welke regelgeving speelt een rol?
    3. Hoe worden risico’s in kaart gebracht en ingeschat?
    4. Welke veiligheidsbeheersmaatregelen (kunnen) worden verlangd? Idem voor wat betreft voorwaarden inzake het stellen van financiële zekerheid.
    5. Wat is de rol van respectievelijk taakverdeling tussen gemeente, politie en brandweer?
    6. Wat moet er gebeuren als er iets fout gaat?
    7. Wie draagt de kosten van veiligheidsonderzoek, veiligheidsmaatregelen en kosten van beheersmaatregelen (in “normale”- en in “foute”-situaties)?
    8. Welke partij(en) is/zijn strafrechtelijk en civielrechtelijk verantwoordelijk/aansprakelijk (gemeenten/ambtenaren/vergunningverlener)?
    9. Wat is belangrijk vanuit een optiek van communicatie, omgang met de pers en het gebruik van social media?

    Inleidingen/rondetafelgesprekken/paneldiscussie

    Korte inleidingen van 10 minuten per persoon, beginnend om 14:30 uur, worden onder voorzitterschap van mevrouw mr. drs. J.W.E. (Liesbeth) Spies – voorheen minister van Binnenlandse Zaken en thans burgemeester van gemeente Alphen aan den Rijn (recent kraanincident) – verzorgd door:

    J.H. (Rob) Bats (MPM), adviseur “safety and security” (voorheen burgemeester van de gemeente Haren en Terschelling): “Risico-inventarisatie, draaiboeken en (social) media”

    Mr. R. (Rob) de Rijck, landelijk coördinerend officier van justitie “veiligheid”: “Evenementen en strafrecht; (opheffing) immuniteit gemeente?”

    Mr. A.H. (André) Gaastra, Gaastra advocaten te Schiphol: “Evenementen, publiek- en privaatrechtelijke lessen”

    Na deze korte inleidingen wordt aan drie tafels onder leiding van de sprekers van gedachten gewisseld over de onderwerpen die zij hebben ingeleid. Deze gesprekken zullen circa 30 minuten in beslag nemen. U kunt zich opgeven voor twee van deze rondetafelgesprekken. Na afloop daarvan worden de bevindingen van de groepen teruggekoppeld naar een panel dat (naast de voorzitter en inleiders ook) bestaat uit C.T. (Carel) Tielenburg (hogeschooldocent integrale veiligheidskunde Hogeschool Den Haag), G. (Gino) Winter (exploitant monstertrucks met Stunt Movie Productions) en mr. R. (Ruben) Brouwer (manager legal affairs evenementenorganisatie bureau Mojo).

    Vanzelfsprekend kunt u ons vooraf vragen of onderwerpen sturen die u besproken zou willen zien. Wij zullen deze dan bij de themamiddag betrekken.

    Na afloop van dit “serieuze” gedeelte biedt Gaastra advocaten u de borrel aan.
    Voor de themamiddag kunt u zich opgeven via de e-mail (info@ga-law.eu).

    Gaarne hopen wij u en/of andere geïnteresseerden binnen uw organisatie op 13 november a.s. in Utrecht te mogen begroeten.
     

  • Relativiteitsvereiste 08 september 2015 LinkedIn printen

    Het relativiteitsvereiste speelt een belangrijke rol in het bestuursrecht. Dit vereiste kan ertoe leiden dat een beroepsgrond tegen een besluit kan slagen maar het besluit toch in stand blijft. Het recht is op dit punt volop in beweging.

    Evenals in het civiele recht kent het bestuursrecht sinds 1 januari 2013 het zogenoemde relativiteitsvereiste. Dit is vastgelegd in artikel 8:69a Algemene wet bestuursrecht. Op grond van deze bepaling vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of een rechtsbeginsel, als deze regel of dat beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept. Kort gezegd leidt de toepassing van deze regel ertoe dat een autobedrijf zich niet succesvol kan beroepen op de Flora-en faunawet om de vestiging van een ander autobedrijf tegen te gaan. Dat valt nog te begrijpen.

    Er zijn echter ook grensgevallen waarin minder duidelijk is of een bepaalde rechtsregel zich kennelijk niet strekt tot bescherming van degene die zich daarop beroept. Het civiele recht kent daarom een nuancering op het relativiteitsvereiste (de zogenoemde correctie Langemeijer). Deze correctie houdt samengevat in dat een handeling die in strijd is met een geschreven rechtsregel die niet de belangen beschermd van degene die zich daarop beroep, wel in strijd kan zijn met een ongeschreven zorgvuldigheidsnorm die wel de belangen van degene beschermd. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent de advocaat-generaal gevraagd ter zake een conclusie te nemen (dit wil zeggen een advies aan de Afdeling over de vraag of een dergelijke correctie op zijn plaats is in het bestuursrecht). Op dit moment is men nog in afwachting van de publicatie van deze conclusie.

    Ondertussen staat de rechtspraktijk niet stil. Bij uitspraak van 24 augustus 2015 heeft de rechtbank Noord-Holland overwogen dat bij de toepassing van het relativiteitsvereiste aan de materiële beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het vertrouwensbeginsel, evenmin zelfstandige betekenis toekomt als aan formele beginselen van behoorlijk bestuur. Ten aanzien van de formele beginselen van behoorlijk bestuur (bijvoorbeeld het zorgvuldigheidsbeginsel) had de Afdeling reeds in zijn uitspraak van 18 juli 2012 beslist dat daaraan geen zelfstandige betekenis toekomt (en dus geen ruimte is voor een correctie Langemeijer, zoals in het civiele recht).

    Wellicht leidt de conclusie van de advocaat-generaal tot andere inzichten bij de Afdeling en de rechtbanken. Daarvoor moeten wij de conclusie en de daaropvolgende uitspraak van de Afdeling echter afwachten. In de tussentijd blijft het voor appellanten en bestuursorganen van belang om in beroepszaken rekening te houden met de mogelijke scherpe kanten van het relativiteitsvereiste.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu