Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Te lange begunstigingstermijn 08 september 2015 LinkedIn printen

    Een begunstigingstermijn van 10 jaar in een last onder dwangsom kan te lang zijn. Dat oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een recente uitspraak.

    In die zaak had het gemeentebestuur van de gemeente Zundert bewoners van recreatiewoningen gelast om binnen 10 jaar de permanente bewoning van recreatiewoningen te staken en gestaakt te houden op straffe van verbeurte van een dwangsom van EUR 25.000,00. De permanente bewoning van die recreatiewoningen zou volgens het gemeentebestuur in strijd zijn met het bestemmingsplan.

    De Afdeling overwoog dat een begunstigingstermijn van 10 jaar niet in overeenstemming is met de strekking van de wet. Uit de wet volgt volgens de Afdeling dat een begunstigingstermijn niet wezenlijk langer mag zijn dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Van objectieve aanknopingspunten om de bewoners een termijn van 10 jaar te gunnen voor het vinden van vervangende woonruimte is de Afdeling niet gebleken. De Afdeling meent dan ook dat de begunstigingstermijn van 10 jaar wezenlijk langer is dan nodig om de overtreding te kunnen beëindigen. Vervolgens oordeelt de Afdeling dat een begunstigingstermijn van zes maanden na de dag van verzending van de uitspraak van de Afdeling redelijk is. De bewoners hebben dus nog zes maanden om een andere woning te vinden.

    Wij sluiten overigens niet uit dat in andere zaken, waarin wel 10 jaar nodig is om de overtreding te kunnen beëindigen, een dergelijke begunstigingstermijn kan zijn toegestaan.

  • Vergunning windturbinepark 08 september 2015 LinkedIn printen

    De Rijksoverheid bevordert de ontwikkeling van windenergie. Toch kan de lokale overheid een vergunning voor een windturbinepark weigeren.

    In een uitspraak van de Afdeling van 19 augustus 2015 was een dergelijke weigering door gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de orde. Gedeputeerde staten hadden een aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van 14 windturbines in Lutjewinkel geweigerd. De Afdeling oordeelde dat deze weigering terecht was. De omstandigheid dat gedeputeerde staten een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) aan een verkeerd bestuursorgaan (aan de gemeenteraad in plaats van provinciale staten) hadden gevraagd stond daar niet aan in de weg omdat gedeputeerde staten niet voornemens waren van de provinciale verordening ruimte af te wijken. Zij hadden voor die afwijking dus ook geen toestemming van provinciale staten nodig. Het weigeringsbesluit van gedeputeerde staten blijft daardoor in stand.

    Wij zien dat het in de praktijk voor ontwikkelaars - bij de aanvraag van welke vergunning dan ook - van belang is dat het bevoegd gezag meewerkt aan de door de ontwikkelaar gewenste ontwikkeling. Zonder die medewerking is het vaak lastig om het project van de grond krijgen. Wij kennen echter voldoende voorbeelden uit onze praktijk waarbij een proactieve en doordachte aanpak toch nog tot de gewenste ontwikkeling heeft geleid.

  • Hoogte bestuurlijke boete 18 augustus 2015 LinkedIn printen

    Onder omstandigheden kan de financiële situatie van de moedermaatschappij worden betrokken bij de bepaling van de draagkracht en daarmee de hoogte van een bestuurlijke boete op te leggen aan de dochtermaatschappij.

    Dit blijkt uit een recente uitspraak (ECLI:NL:RVS:2015:2120) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij overtreding van onder meer de Arbeidsomstandighedenwetgeving, het Besluit risico’s zware ongevallen 1999, de Arbeidstijdenwet, de Warenwet en de Wet arbeid vreemdelingen kan een bestuurlijke boete worden opgelegd. Een bestuurlijke boete is een geldstraf (een bestraffende sanctie), die de Minister van Sociale zaken en Werkgelegenheid bij beschikking kan opleggen. Het wettelijk kader draagt kenmerken van zowel het bestuursrecht als het strafrecht en wordt daarom ook wel bestuursstrafrecht genoemd.

    De bestuurlijke boete wordt opgelegd aan de overtreder. De hoogte van de boete wordt op grond van de wet afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij wordt rekening gehouden met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.  Voor gevallen waarin de wet de hoogte van de bestuurlijke boete voorschrijft geldt een hardheidsclausule, op grond waarvan een lagere bestuurlijke boete wordt opgelegd indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

    Waar sprake is van een juridische structuur die bestaat uit één of meerdere werkmaatschappijen en een holdingmaatschappij, worden de activiteiten over het algemeen uitgevoerd door de werkmaatschappijen. Deze vennootschappen (de dochtermaatschappijen) beschikken vaak over de contracten, de gronden, de installaties, de gebouwen en het personeel. De holding (de moedermaatschappij) beheert vaak slechts het vermogen dat met de activiteiten is verdiend  en ontplooit zelf geen activiteiten. Naast fiscale overwegingen volgt de uiteindelijke structuur vaak uit overwegingen ten aanzien van de mogelijke aansprakelijkheid.

    Een dergelijke beschermingsconstructie blijkt niet onder alle omstandigheden te werken, zoals ook volgt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 juli 2015, in een zaak waarin zou zijn gehandeld in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen. In deze zaak zou door een arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW zijn geconstateerd dat een aantal vreemdelingen van Chinese nationaliteit namens de werkmaatschappij promotiewerkzaamheden hebben verricht zonder dat daarvoor tewerkstellingsvergunningen waren verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in zijn uitspraak van 3 oktober 2007, zaaknummer 200701639/1) is het de verantwoordelijkheid van een werkgever om bij aanvang van de werkzaamheden na te gaan of de voorschriften van de Wet arbeid vreemdelingen worden nageleefd.

    De werkgever (de dochtermaatschappij) deed in dit geval een beroep op zijn financiële omstandigheden en stelde dat die zodanig slecht zijn dat de wettelijke boete zou moeten worden vervangen door een waarschuwing dan wel zou moeten worden teruggebracht tot een symbolische boete. De minister is op grond van het evenredigheidsbeginsel verplicht de opgelegde boete te matigen, indien de wettelijke boete de beboete werkgever, gelet op zijn financiële situatie onevenredig zou treffen. De rechtbank heeft in de financiële omstandigheden van de werkgever aanleiding gezien om de boete met de helft te matigen. De omstandigheid dat de werkmaatschappij en de moeder een fiscale eenheid vormen maakt volgens de rechtbank niet dat de werkmaatschappij niet onevenredig door de opgelegde boete wordt getroffen. Volgens de rechtbank betekent de constructie ook niet dat de moedermaatschappij en de dochtermaatschappij instaan voor elkaars betalingsverplichtingen en geeft de zaak geen aanleiding om te concluderen dat sprake is van een zodanige financiële verstrengeling tussen moeder en dochter dat dit op die grond wel zou moeten. Ook heeft de rechtbank geen misbruik van de holdingconstructie geconstateerd.

    Volgens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is er geen aanleiding om de boete te matigen, mede omdat bij de bepaling van draagkracht rekening mag worden gehouden met de financiële positie van het moederbedrijf. De minister heeft gewezen op een economische verbondenheid tussen de werkmaatschappij en de moedermaatschappij en een zodanig verband tussen deze twee vennootschappen dat de werkmaatschappij niet feitelijk autonoom functioneert. Nu het moederbedrijf blijkens openbare gegevens over ruime middelen beschikt, zou volgens de minister de boete van € 90.000 door de moedermaatschappij kunnen worden betaald.

    De Afdeling is het met de minister eens en kijkt er dus anders tegenaan dan de rechtbank. Volgens de Afdeling kan in dit geval de financiële situatie van het moederbedrijf wel worden betrokken bij de bepaling van de draagkracht van de overtredende dochtermaatschappij. Daarbij betrekt de Afdeling de omstandigheid dat het moederbedrijf enig aandeelhouder en bestuurder van de werkmaatschappij is, geen werkzame personen heeft en dat bij dit moederbedrijf slechts sprake is van holdingactiviteiten. Ook heeft de Afdeling het van belang geacht dat tussen de dochtermaatschappij en de moedermaatschappij een rekening-courant-verhouding bestaat. Onder die omstandigheden kan volgens de Afdeling voor de bepaling van de draagkracht van de dochtermaatschappij, de moeder en de dochter feitelijk als één entiteit worden beschouwd en is het betrekken van de financiële gegevens van het moederbedrijf bij het vaststellen van de hoogte van de aan de dochtermaatschappij op te leggen boete geoorloofd.

    Het is de vraag of dit anders zou zijn als de moedermaatschappij wel personeel in dienst hebben, eigen activiteiten zou ontplooien en er geen rekening-courant-verhouding zou zijn tussen moeder en dochter. Hier lijkt in elk geval sprake van een quasi-doorbraak van aansprakelijkheid die in het civiele recht buiten faillissement niet spoedig zou worden aangenomen. Er is in dit geval natuurlijk geen sprake van een echte doorbraak in juridische zin omdat de moedermaatschappij in dit geval niet zelf wordt aangesproken, maar het betrekken van de financiële positie van de moedermaatschappij in een aan de dochter op te leggen boete heeft natuurlijk indirect wel effect op de financiële positie van de moedermaatschappij. Het is dus raadzaam de keuze van een structuur en de werkwijze tussen de werkmaatschappij in de holding in het vervolg niet alleen af te laten hangen van de civielrechtelijke aspecten maar tevens rekening te houden met aspecten van het bestuursrechtelijke sanctierecht.

  • Kosten toezicht Brzo-bedrijven 18 augustus 2015 LinkedIn printen

    Recent is het Wetsvoorstel doorberekenen toezichtkosten ter consultatie aangeboden. Dit wetsvoorstel behelst een wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet, die de mogelijkheid introduceert om de kosten van het toezicht door te berekenen aan bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (Brzo) vallen.

    Met dit wetsvoorstel beoogt de wetgever de beweerdelijk onevenredig hoge kosten van het toezicht te leggen ‘waar deze horen’ en daarmee de uitgaven uit de algemene middelen te verlagen.

    Het is ons uit ervaring bekend dat bij zogeheten Brzo-bedrijven intensief toezicht plaatsvindt. Volgens dit wetsvoorstel ligt de gedachte dat dit toezicht nodig is waar met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen wordt gewerkt en de gevolgen bij ongevallen ernstig kunnen zijn, aan het voorstel voor kostenverhaal ten grondslag. Verwezen wordt naar een aantal zware ongevallen die in de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden. Tevens wordt gesteld dat de specialistische kennis die bij dergelijke inspecties is vereist, kostenverhogend werkt en het deels in rekening brengen van deze kosten bij de Brzo-bedrijven rechtvaardigt. Voorts wordt impliciet gerefereerd aan het beginsel dat ‘de vervuiler betaalt’ waar gesteld wordt dat alleen de inspectiekosten zullen worden doorberekend die betrekking hebben op de interne veiligheid binnen het bedrijf omdat het bedrijf hierbij een direct belang heeft. Bij de onderdelen van de inspectie die betrekking hebben op de Wet milieubeheer en de Wet veiligheidsregio’s gaat het om externe veiligheid in de samenleving en treedt volgens het voorstel het algemeen belang meer op de voorgrond. De kosten van dit deel van de inspectie blijven volgens het voorstel dan ook voor rekening van de samenleving en worden gefinancierd uit de algemene middelen.

    Het in rekening brengen van de kosten van het toezicht kennen wij reeds uit het financieel toezicht door de AFM en de Nederlandsche Bank (Wet bekostiging financieel toezicht). Een directe doorberekening van de kosten van toezicht kenden wij in het veiligheids- en milieurecht nog niet. Dat is elders in Europa al langer gebruik, zij het in uiteenlopende vormen. In het Verenigd Koninkrijk worden de kosten van het feitelijke toezicht inclusief onderzoeken verhaald op de drijvers van de Seveso-inrichtingen (‘COMAH installations’) in geval van een formeel optreden. Ook de kosten van bepaalde onderzoeken die door of in opdracht van de toezichthouder door derden worden uitgevoerd kunnen daar bij de industrie in rekening worden gebracht. Frankrijk kent de ‘Taxe Générale sur les activités polluantes’ (TGAP) die onder meer een variant kent die wordt geheven van de drijver van een industriële inrichting waar zich, vanwege de aard en omvang van de activiteiten, specifieke risico’s voor het milieu voordoen. Dit wordt door milieujuristen gezien als een belasting die impliciet samenhangt met de relatief hogere kosten van het toezicht op bepaalde bedrijven. In België wordt van Seveso-bedrijven een recht geheven dat mede ten goede komt van een tweetal fondsen voor de preventie van zware ongevallen en dat mede wordt gebruikt voor de bekostiging van bepaalde preventieve taken. In Duitsland worden de kosten van toezicht en handhaving op de industrie verhaald op basis van de Duitse Chemicaliënwet (Chemikaliengesetz). Oostenrijk kent ook bepalingen ten aanzien van de kosten van toezicht in de Chemicaliënwet (Chemikaliengesetz 1996) en de Afvalstoffenwet (Abfallwirtschaftsgesetz 2002) op basis waarvan kort gezegd in een strafzaak of in geval van een administratieve boete de kosten van het toezicht of deskundigen op de overtreder kunnen worden verhaald.

    Wij zijn zelf van mening dat de kosten van toezicht en handhaving uit de algemene middelen zouden moeten worden betaald omdat deze kosten nauw samenhangen met de maatschappelijke taak van de overheid en het in beginsel de overheid is die het initiatief neemt tot het houden van toezicht en ook de keuzes maakt ten aanzien van de modaliteit en de omvang van de toezichts- en handhavingsinspanningen. Indien toch tot het in rekening brengen van specifieke toezichtskosten zou worden overgegaan, zou wat ons betreft moeten worden gekeken naar het Engelse en Oostenrijkse model, omdat beter presterende bedrijven daar in mindere mate betalen.

  • Revisie PGS15 18 augustus 2015 LinkedIn printen

    Het concept van de nieuwe PGS15 richtlijn (Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 15:2015 versie 0.1 van juni 2015) was beschikbaar voor de openbare commentaarronde tot 11 augustus 2015. Gaastra advocaten heeft na raadpleging van een aantal cliënten commentaar op de nieuwe PGS15 richtlijn gegeven.

    In de nieuwe uitgave van PGS15 zal beschermingsniveau 2 worden vervangen door het nieuwe beschermingsniveau 2a en wordt voor onbrandbare en niet brandonderhoudende stoffen een nieuw beschermingsniveau 4 geïntroduceerd. Daarin worden van het Bouwbesluit afwijkende eisen gesteld voor wat betreft de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een opslagvoorziening, omdat het brandgedrag van opgeslagen gevaarlijke stoffen anders is dan dat van de bouwproducten of de normale inventaris van gebouwen waarop de criteria van het Bouwbesluit van toepassing zijn.

    Tevens zijn bepaalde ondergrenzen en criteria voor de bepaling van het toe te passen beschermingsniveau gewijzigd. Het commentaar op het concept van de nieuwe richtlijn dat wij hebben gegeven, heeft betrekking op een gewenste overgangsregeling voor opslagen die nog onder de bestaande of oudere versies van PGS15 zijn gebouwd, de definitie van werkvoorraad (die in een productieruimte aanwezig mag zijn), de toepassing van het gelijkheidsbeginsel en het beginsel van gemotiveerd afwijken, het vereiste van het spanningsvrij maken van wikkelmachines in opslagvoorzieningen indien er geen personeel aanwezig is, de wijziging van de norm voor vloeistofdichte vloeren en verhardingen en de behandeling van hemelwater dat in contact is gekomen met verpakte gevaarlijke stoffen. Op verzoek zullen wij u een kopie van ons uitgebreide commentaar toezenden.

  • Succes Gaastra advocaten 12 augustus 2015 LinkedIn printen

    Gaastra advocaten heeft recent voor een cliënt een belangrijke overwinning binnengesleept. De betreffende cliënt wilde afvalstoffen overbrengen uit een ander EU-land naar Nederland. De staatssecretaris had dit echter verhinderd op grond van de Europese verordening inzake de overbrenging van afvalstoffen (EVOA) door bezwaar te maken tegen de kennisgeving voor de overbrenging.

    Gaastra advocaten heeft tegen dit besluit van de staatsecretaris namens deze cliënt bezwaar gemaakt en de Afdeling verzocht een voorlopige voorziening te treffen inhoudende (i) dat het bezwaar van de staatssecretaris zou worden geschorst en (ii) dat bij wijze van voorlopige voorziening toestemming zou worden verleend voor de gewenste overbrenging. De Afdeling heeft dit verzoek gehonoreerd en de gevraagde voorlopige voorziening getroffen. De overbrenging kan daardoor alsnog plaatsvinden.

  • Commentaar op PGS15 12 augustus 2015 LinkedIn printen

    Gaastra advocaten heeft commentaar geleverd op het concept van een nieuwe versie van de PGS15 richtlijn voor de opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Dat commentaar kunt u hier zien.

  • Leges en Bibobadvies 29 juni 2015 LinkedIn printen

    Het heffen van leges ten behoeve van onderzoek in het kader van de Wet Bibob is niet toegestaan. Leges mogen enkel worden geheven voor diensten als bedoeld in artikel 229 Gemeentewet. Dergelijk onderzoek is niet te kwalificeren als dienstverlening. Dit blijkt uit een recent arrest van het hof Den Bosch.

    Bestuursorganen hebben op grond van artikel 3 Wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: “Wet Bibob”), kort gezegd, de mogelijkheid om vergunningen, aanbestedingen of subsidies te weigeren of in te trekken als zij vermoeden dat deze gebruikt (gaan) worden voor criminele activiteiten.

    In de betreffende casus vraagt de belanghebbende in juni 2012 ten behoeve van de exploitatie van een horecabedrijf een vergunning op grond van de Drank- en Horecawet aan bij burgemeester en wethouders van Maastricht (hierna: “College”). De Wet Bibob is op een dergelijke aanvraag van toepassing. In het kader van de vergunningaanvraag heeft de belanghebbende een ‘Algemeen Vragenformulier Bibob’ ingevuld. In dit formulier worden onder meer vragen gesteld omtrent de wijze van financiering van de onderneming en eventuele vennoten.

    Het door belanghebbende ingevulde  formulier was reden voor het College advies te vragen bij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: “LBB”). Het LBB is een adviesorgaan en ingesteld bij wet en kan onderzoek verrichten in registers, zoals die van de Criminele Inlichtingen Eenheid, die voor het College niet toegankelijk zijn.

    In november 2012 heeft de heffingsambtenaar van de gemeente Maastricht vervolgens € 1.235,88 in rekening gebracht ten behoeve van een Bibobscreening en een adviesaanvraag bij het LBB. De belanghebbende was van mening dat de kosten van het Bibobonderzoek en het Bibobadvies niet waren gemaakt door het College in het kader van dienstverlening en maakte bezwaar tegen de legesbeschikking. Het bezwaar werd echter ongegrond verklaard waarna uiteindelijk de belanghebbende beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank stelde de belanghebbende in het gelijk. Hierop is de heffingsambtenaar in hoger beroep gegaan.

    Het Hof stelt voorop dat op grond van artikel 229, lid 1, aanhef en onder b, Gemeentewet rechten kunnen worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. Door of vanwege het gemeentebestuur verrichte werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als diensten in de zin van die bepaling indien die werkzaamheden rechtstreeks en in overheersende mate verband houden met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang. Dat is bij een Bibob-screening niet het geval.

    De op grond van de Bibob-beleidslijn verrichte toetsing, bestaande uit de Bibob-intake en -screening, wordt immers uitgevoerd met het oog op de publieke taakuitoefening van de gemeente en houdt niet rechtstreeks en in overheersende mate verband met dienstverlening ten behoeve van een individualiseerbaar belang.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu