Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Haaksbergen 22 mei 2015 LinkedIn printen

    De Onderzoeksraad voor Veiligheid (hierna: “De Onderzoeksraad”) is van mening dat veel Nederlandse gemeenten de evenementenvergunning als instrument beter kunnen benutten door vergunningverlening in te richten als een veiligheidskritisch proces. De Onderzoeksraad ziet hier uitdrukkelijk een rol voor de burgemeester als bestuurlijk eigenaar van de evenementenvergunning en het daarbij behorende proces. Door daarnaast de vergunningverlenend ambtenaren te professionaliseren kunnen de mensen die gezamenlijk de veiligheid bij evenementen bepalen beter hun rol vervullen. Vergunningverlening is mensenwerk dat maatwerk vraagt. Daarom is het vooral belangrijk de omstandigheden te scheppen waarin de mensen zo goed mogelijk hun werk kunnen doen. Naar het oordeel van de Onderzoeksraad biedt de bestaande wet- en regelgeving daarvoor voldoende ruimte.

    Na het ongeval heeft de gemeente Haaksbergen het proces van vergunningverlening voor evenementen op verschillende punten aangepast. De Onderzoeksraad meent echter dat ook in Haaksbergen de burgemeester, conform de regelgeving, een centrale rol in het proces van de vergunningverlening moet nemen, zodat hij doorlopend zicht kan houden op de kwaliteit van de vergunningverlening. Tegelijkertijd dienen de behandelend ambtenaren zich er actief van te vergewissen dat de organisator van een evenement de risico’s kent en deze zodanig beheerst dat de openbare veiligheid niet in gevaar komt.

  • Illegale bemiddelaar afval 06 mei 2015 LinkedIn printen

    Gaastra advocaten heeft in januari 2011 namens een afvalstoffenbedrijf een handhavingsverzoek gedaan tegen een illegale bemiddelaar die niet op de zogenoemde vihb-lijst (lijst van erkende vervoerders, inzamelaars, handelaren en bemiddelaars in afvalstoffen) stond en de markt verstoorde. Deze bemiddelaar ontkende dat zijn bedrijf als bemiddelaar in de zin van de betrokken regeling kwalificeerde. Uiteindelijk heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraak van 8 april 2015 (201405435/1/A4) bepaald dat de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu hier terecht tegen heeft opgetreden en dat dwangsommen zijn verbeurd en kunnen worden ingevorderd.

  • Seveso III richtlijn 1 juni 31 maart 2015 LinkedIn printen

    Seveso III richtlijn op 1 juni 2015 van krachtPer 1 juni 2015 wordt de Seveso III-richtlijn in Nederland van kracht. Op die datum wordt de Richtlijn in het Besluit Risico Zware Ongevallen (hierna: “BRZO”) geïmplementeerd. Het BRZO 1999 wordt dan omgedoopt tot BRZO 2015. Voor bedrijven die met gevaarlijke stoffen werken is het meest ingrijpende gevolg de implementatie van de Classification, Labelling and Packaging Regulation (hierna: "CLP-verordening").

    Het thans nog van kracht zijnde BRZO is de implementatie van de Seveso II-richtlijn. De Seveso II-richtlijn heeft als doel zware ongevallen met gevaarlijke stoffen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Wet- en regelgeving omtrent arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampenbestrijding voor de meest risicovolle bedrijven zijn door het BRZO in een wettelijke regeling samengebracht.

    Op grond van drempelwaarden ten aanzien van de aanwezige hoeveelheid gevaarlijke stoffen die bedrijven binnen de inrichting mogen hebben, wordt bepaald of een bedrijf wel of niet onder het BRZO valt. In het BRZO wordt onderscheid gemaakt tussen de lichte categorie en de zware categorie. Bedrijven die tot de lichte categorie behoren dienen te beschikken over een preventiebeleid Zware Ongevallen en een Veiligheidsbeheersysteem. Bedrijven die tot de zware categorie behoren dienen daarnaast ook een Veiligheidsrapportage op te stellen.

    De gedachte achter de Seveso III-richtlijn is voornamelijk geweest om de indelingssystematiek voor gevaarlijke stoffen in overeenstemming met de CLP-verordening te brengen. Dat is dan ook meteen de meest belangrijke wijziging. Onder het huidige BRZO wordt nog een classificatiemethodiek gebruikt die is gebaseerd op de, inmiddels vervallen, Wet milieugevaarlijke stoffen. De classificatie en indeling zal onder het nieuwe BRZO aan de hand van de Europese CLP-verordening plaatsvinden.

    Dit kan voor bedrijven in beginsel tot gevolg hebben dat zij onder het bestaande regime niet zijn aangewezen als BRZO-bedrijf en dat zij onder het nieuwe regime wel worden aangewezen. Ook kan een bedrijf dat onder het huidige BRZO onder de lichte categorie wordt gerekend, onder het nieuwe BRZO onder de zware categorie wordt gerekend. In dat geval zal aan aanvullende eisen moeten worden voldaan. Het is ons nog niet duidelijk of dit zich in veel gevallen zal voordoen.

    Een andere wijziging die het gevolg zal zijn van de implementatie van de Seveso III-richtlijn is de verplichting voor bedrijven VR-plichtigtige bedrijven om niet alleen naar de risico’s van de eigen activiteiten te kijken, maar ook naar de risico’s van naburige bedrijven die van invloed kunnen zijn op de oorzaak of verergering van een zwaar ongeval. Tevens dienen de risico's met een natuurlijke oorzaak in kaart worden gebracht. Dit kan worden gezien als een uitbreiding van de VR-plicht.

  • Beperking in bestemmingsplan 31 maart 2015 LinkedIn printen

    De bereikbaarheid van uw bedrijf kan in een bestemmingsplan worden beperkt De bereikbaarheid van uw bedrijf kan in een bestemmingsplan worden beperkt. Voor bedrijven is bereikbaarheid (over de weg en het water) van essentieel belang. Uit recente jurisprudentie blijkt dat in bestemmingsplannen onder meer de lichtercapaciteit voor bulkgoederen kan worden gemaximeerd. Daar heeft de gemeenteraad van Velsen toe besloten voor een bepaalde lichterlocatie binnen de gemeente.

    Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn dergelijke regels geen milieukwaliteitseisen (die niet in een bestemmingsplan kunnen worden opgenomen) en bovendien ruimtelijk relevant. Bij de vaststelling van het bestemmingsplan moet volgens de Afdeling wel rekening worden gehouden met de reeds vergunde lichtercapaciteit van de betreffende bedrijven. Als dat niet gebeurt, kan het bestemmingsplan op dit punt worden vernietigd. Dan moet de mogelijk benadeelde echter wel tijdig opkomen tegen het bestemmingsplan. Anders zijn de planregels in beginsel onherroepelijk en kan daar niets meer tegen worden gedaan. Het is dus in toenemende mate van belang voor bedrijven om de ontwikkelingen rond een eventueel nieuw (ontwerp)bestemmingsplan te (blijven) volgen en tijdig een zienswijze in te dienen als het bedrijf dreigt onbereikbaar (of verminderd bereikbaar) te worden.

  • Recyclinggranulaat geen afval 31 maart 2015 LinkedIn printen

    Recyclinggranulaat is sinds kort in beginsel geen afval meer.Recyclinggranulaat is sinds kort in beginsel geen afval meer. Dit is het gevolg van de inwerkingtreding van de ministeriële Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat (hierna: "de Regeling"). Recyclinggranulaat wordt dus nu gekwalificeerd als product.

    Het doel van de Regeling is het vaststellen van criteria waarmee de einde-afvalstatus van recyclinggranulaat kan worden bepaald. De Regeling is uitsluitend van toepassing op recyclinggranulaat dat als product op de Nederlandse markt wordt gebracht. Op grond van artikel 1 van de Regeling is recyclinggranulaat gedefinieerd als granulaat dat ontstaat bij het bewerken van steenachtige afvalstoffen en dat is geproduceerd overeenkomstig een in de bijlage 1 bij de Regeling genoemde NEN-norm. De criteria voor de einde-afvalstatus van recyclinggranulaat bestaan uit een stelsel van technische-, milieu- en systeemeisen. Om te toetsen of een specifieke materiaalstroom aan alle eisen voldoet is de nodige kennis van het proces en de hele keten vereist. Voldoet het recyclinggranulaat niet aan deze eisen, dan is het (nog steeds) een afvalstof.

    De Regeling zal volgens de toelichting leiden tot een vermindering en vereenvoudiging van de bestaande administratieve last omdat puinverwerkende bedrijven nu geen begeleidingsbrief in de zin van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen meer nodig hebben. De Regeling omvat wel een verplichting om op de transportdocumenten aan te geven dat het een einde-afval product betreft. Voorts hoeven afnemers van recyclinggranulaat (inrichtingen) geen vergunning meer aan te vragen voor het innemen van recyclinggranulaat als grondstof.

    Voor bedrijven die werken met recyclinggranulaat lijkt ons deze regeling een belangrijke stap vooruit. Echter ook in andere gevallen hoeft niet steeds sprake te zijn van een afvalstof (terwijl dat op het eerste oog wel zo lijkt). De Europese en nationale wet- en regelgeving biedt ruimte om bepaalde stoffen niet (langer) te kwalificeren als afvalstof. Het gebruik van die mogelijkheden kan nieuwe kansen bieden voor de afzet van bepaalde materiaalstromen.der dwangsom) dan kan daartegen wel in bezwaar en beroep worden opgekomen. In die situatie kan het van belang zijn dat er concreet zicht op legalisatie is en dat een gedoogbeschikking is aangevraagd.

  • Weigering om te gedogen 31 maart 2015 LinkedIn printen

    Weigering om te gedogenHet komt nog wel eens voor dat er voor een bepaalde activiteit of een bepaald bouwwerk niet de vereiste vergunning aanwezig is. Dan is er een handhavingsrisico. De overheid is in een dergelijk geval immers in beginsel verplicht handhavend op te treden. Van handhaving kan echter worden afgezien indien "concreet zicht op legalisatie" bestaat (bijvoorbeeld doordat alsnog een vergunning kan worden verleend). Er moet dan wel een volledige, ontvankelijke aanvraag zijn ingediend en de vergunning moet in beginsel ook kunnen worden verleend. Het komt voor dat de overheid in dergelijke gevallen een "gedoogbeschikking" afgeeft voor de periode tot aan het van kracht worden van de nieuwe vergunning. Dit is reeds lang bestaand beleid.

    Maar wat kan u doen als de overheid weigert mee te werken aan gedogen? De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent bevestigd dat daartegen niet kan worden opgekomen bij de bestuursrechter. De weigering om te gedogen kwalificeert volgens de hoogste bestuursrechter niet als 'besluit' in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In dat geval staat daartegen ook geen bezwaar en beroep open. Een weg langs de civiele rechter zal dan vaak ook geen oplossing bieden. Zou het in die situatie komen van een eventueel handhavingsbesluit (bijvoorbeeld een last onder dwangsom) dan kan daartegen wel in bezwaar en beroep worden opgekomen. In die situatie kan het van belang zijn dat er concreet zicht op legalisatie is en dat een gedoogbeschikking is aangevraagd.

  • CCIC-certificaat niet vereist 31 maart 2015 LinkedIn printen

    Bewaak uw geluidruimteEen CCIC-certificaat is naar Nederlands recht niet verplicht voor de export van afvalstoffen naar China. Het zonder CCIC-certificaat (Certificate for Pre-Shipment Inspection of Recycling Scraps to China issued by China) overbrengen van afvalstoffen naar China is naar de huidige stand van het recht niet in strijd met de met de Europese verordening inzake de overbrenging van afvalstoffen (de "EVOA"). Dit blijkt uit een recent arrest van de Hoge Raad waarbij in cassatie de vrijspraak wordt bevestigd van een metaalrecyclingbedrijf dat ervan werd verdacht afvalstoffen (ijzer- en staalschroot en aluminiumschroot) in strijd met de EVOA naar China te hebben overgebracht, omdat het niet over een CCIC-certificaat beschikte.

    De EVOA stelt onder meer regels voor de overbrenging van afvalstoffen naar landen buiten de Europese Unie. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen landen die wel zijn aangesloten bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna: "OESO") en landen die niet zijn aangesloten bij de OESO. China is niet aangesloten bij de OESO. China is dan ook, kort gezegd, op basis van de EVOA gevraagd aan de Europese Commissie te laten weten of afvalstoffen vanuit de EU naar China mogen worden uitgevoerd en welke controleprocedure het daarvoor zou willen hanteren. De Chinese autoriteiten hebben aangegeven niet te kiezen voor een uitvoerverbod op metaalschroot uit de EU, maar voor aanvullende eisen in de vorm van het CCIC-certificaat. Zonder CCIC-certificaat is de invoer in China verboden.

    In 2008 werd bij een controle van een transport metaalschroot geconstateerd dat geen CCIC-certificaat aanwezig was. Het openbaar ministerie zag in het ontbreken daarvan reden om strijd met de EVOA aan te nemen. De Hoge Raad ziet dat echter anders. China heeft volgens de Hoge Raad immers niet gekozen voor een uitvoerverbod uit de EU op basis van de EVOA, maar voor een eigen controleregime (een invoerverbod zonder CCIC). Dat controleregime is gebaseerd op Chinees recht. Er is dan ook geen sprake van een "illegale overbrenging" in de zin van de EVOA en dus kan daar in Nederland niet tegen worden opgetreden.

    Wij zien hierin een bevestiging van de opvatting die wij als kantoor altijd al huldigden. Het is goed dat hier nu duidelijkheid over is.

  • Bewaak uw geluidruimte 31 maart 2015 LinkedIn printen

    Bewaak uw geluidruimteVoor een industrieterrein waar zogenoemde 'grote lawaaimakers' zijn gevestigd, is als het goed is tevens een geluidzone vastgesteld. Lokale overheden worstelen al geruime tijd met de vraag hoe de binnen die zone bestaande geluidruimte het beste kan worden verdeeld. Gemeenten willen voorkomen dat beschikbare terreinen niet kunnen worden gebruikt, doordat de geluidruimte al volledig wordt benut door de bestaande bedrijven. Een zogenoemd "geluidverdeelplan", dat onderdeel is van het bestemmingsplan, kan mogelijk soelaas bieden.

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent geoordeeld dat deze methode in zijn algemeenheid is toegestaan. In het bestemmingsplan zelf moet dan wel worden verwezen naar de normen voor verdeling van de geluidruimte. Het moet voor de bedrijven op het betreffende industrieterrein ook voldoende controleerbaar worden gemaakt of zij gebruik kunnen blijven maken van hun vergunde geluidruimte. Gebeurt dat in de besluitvorming niet of onvoldoende, dan is het bestemmingsplan in strijd met de rechtszekerheid en kan het worden vernietigd.

    Dit betekent dat ten aanzien van geluid, naast uw vergunning of algemene voorschriften, nog een derde bron van verplichtingen of beperkingen kan ontstaan. Als voor het industrieterrein waarop uw bedrijf is gevestigd een nieuw (ontwerp)bestemmingsplan in procedure komt waar een geluidverdeelplan onderdeel van uitmaakt, is het voor de continuïteit van uw bedrijf essentieel te controleren of het bestemmingsplan en het geluidverdeelplan de vergunde geluidruimte niet beperken. Het kan in dergelijke gevallen nodig zijn een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan in te dienen en vervolgens eventueel beroep in te stellen tegen het bestemmingsplan.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu