Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Kamp lanceert retailagenda 19 maart 2015 LinkedIn printen

    Op 17 maart 2015 heeft minister Kamp van Economische Zaken de retailagenda aangeboden aan de Tweede Kamer. De retailagenda bestaat uit 20 concrete afspraken die belanghebbende partijen, zoals het Rijk, gemeenten, belangenorganisaties en financiers, hebben gemaakt om ervoor te zorgen dat de detailhandel die het de afgelopen jaren te verduren heeft gehad een gezonde en kansrijke sector blijft.

    Interessant is onder meer dat wordt ingezet op verlichting van regelgeving en bevordering van hybride (nieuwe) retailconcepten. In de gemeenten Alkmaar, Beilen, Ede, Goes, Helmond, Oss, Roosendaal, Rotterdam, Sluis, Voorburg, Zeist en Zwolle zal worden gestart met een pilot "Verplichte regels winkelgebieden". Strekking van deze pilot is dat belemmerende regels voor ondernemerschap, innovatie en samenwerking van retailers, horeca en vastgoed ondernemers worden geschrapt, verandert of (tijdelijk) opgeschort. Dit kan bijvoorbeeld tot uitdrukking komen in het opnemen van flexibele bestemmingen in bestemmingsplannen, of het toestaan van een horecafunctie in een boekwinkel. Dit beidt kansen voor vastgoedeigenaars en winkeliers. Waar zij voorheen aanliepen tegen een oerwoud aan regels en beperkingen, is de verwachting dat zij met de flexibelere regels in de toekomst makkelijker kunnen inspelen op de behoefte van de markt en consument.

    Verder staan in de retail agenda afspraken op het gebied van de uitvoering, samenwerking tussen de betrokken partijen, en investeringen in werknemers in de retailsector zelf, die eveneens als doel hebben de sector te revitaliseren.

    Heeft u vragen over wat de retail agenda voor u kan betekenen, of wilt u op de hoogte blijven van verdere ontwikkelingen, neem dan contact op met Jan Rube op jrube@ga-law.eu of 020-6549640.

  • Last onder dwangsom van tafel 16 maart 2015 LinkedIn printen

    Bedrijven kunnen geconfronteerd worden met handhavend optreden van de overheid in verband met registratie- en notificatieverplichtingen op basis van REACH of de CLP verordening (betreffende etikettering en verpakking van stoffen).

    Gaastra advocaten heeft in het recente verleden succes geboekt voor een bedrijf dat hiermee werd geconfronteerd en er samen met het bedrijf voor gezorgd dat een reeds opgelegde last onder dwangsom van tafel ging en (verder) handhavend optreden uitbleef.

    Heeft u vragen over REACH of de CLP verordening of wordt u geconfronteerd met handhavend optreden? Wij helpen u graag en effectief.

  • Recyclinggranulaat geen afval 04 maart 2015 LinkedIn printen

     Recyclinggranulaat is per 7 februari 2015 geen afval meer. Dit is het gevolg van de inwerkingtreding van de ministeriële Regeling vaststelling van de status einde-afval van recyclinggranulaat (hierna: “de Regeling”). Recyclinggranulaat dient thans in beginsel te worden gekwalificeerd als product en niet als afval.

    Het doel van de Regeling is het vaststellen van criteria waarmee de einde-afvalstatus van recycling granulaat kan worden bepaald. De Regeling is uitsluitend van toepassing op recyclinggranulaat dat als product op de Nederlandse markt wordt gebracht.

    Op grond van artikel 1 van de Regeling is recyclinggranulaat granulaat dat ontstaat bij het bewerken van steenachtige afvalstoffen en dat is geproduceerd overeenkomstig een in de bijlage 1 bij de Regeling genoemde NEN-norm.

    De criteria voor de einde-afvalstatus van recyclinggranulaat bestaan uit een stelsel van technische-, milieu- en systeemeisen. Om te toetsen of een specifieke materiaalstroom aan alle eisen voldoet is de nodige kennis van het proces en de hele keten vereist.

    De Regeling zal volgens de toelichting leiden tot een vermindering en vereenvoudiging van de bestaande administratieve last omdat puinverwerkende bedrijven geen begeleidingsbrief meer hoeven te voeren in het kader van het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen. De Regeling omvat wel een verplichting om op de transportdocumenten aan te geven dat het een einde-afval product betreft. Voorts hoeven afnemers van recyclinggranulaat (inrichtingen) geen vergunning meer aan te vragen voor het innemen van recyclinggranulaat als grondstof.

  • Kosten bodemverontreiniging 03 februari 2015 LinkedIn printen

    De regeling in artikel 75 Wet bodembescherming ten aanzien van het verhaal van kosten laat onverlet dat een overheidslichaam op de grondslag van onrechtmatige daad vergoeding van de kosten van onderzoek en sanering kan vorderen. Dit blijkt uit het arrest van de Hoge Raad d.d. 9 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:37).

    De Hoge Raad wees het arrest in het kader van een lang lopende procedure omtrent de bodemverontreiniging van het terrein van de voormalige Enschedé-drukkerij en omliggende percelen.
    In 1987 heeft de gemeente Haarlem het eigendom van het drukkerijterrein verkregen. In de koopovereenkomst was ten aanzien van de bodemvervuiling geen exoneratieclausule opgenomen. Dit had tot gevolg dat de gemeente omtrent de bodemverontreiniging van het terrein geen verhaal op de verkoper kon nemen.

    De gemeente is echter eveneens eigenaar van de belendende percelen. In de hoedanigheid van eigenaar van die percelen sprak de gemeente de verkoper van het terrein aan. In dit geding heeft de gemeente zich jegens de verkoper met betrekking tot de verontreiniging van het terrein primair beroepen op wanprestatie, subsidiair op onrechtmatige daad, meer subsidiair op een verborgen gebrek en uiterst subsidiair op dwaling. De gemeente heeft op die grondslag gevorderd, samengevat, een verklaring voor recht en veroordeling tot vergoeding van de door haar geleden schade, bestaande uit onder meer de kosten van onderzoeken en sanering, op te maken bij staat, althans vermindering van de koopprijs. Daarbij heeft de gemeente op de grondslag van onrechtmatige daad vergoeding gevorderd van de kosten van de bijdragen die zij aan de provincie Noord-Holland zal moeten betalen ter zake van onderzoeken en sanering betreffende door de verkoper veroorzaakte verontreinigingen van de omliggende terreinen die in eigendom toebehoren aan derden. Op diezelfde grondslag heeft de gemeente gevorderd dat de verkoper zal worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten van onderzoeken en sanering betreffende de omliggende terreinen die aan de gemeente in eigendom toebehoren.

    In eerste aanleg heeft de rechtbank Haarlem de vordering van de gemeente afgewezen. In hoger beroep is het vonnis van de rechtbank Haarlem door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd.

    Het gerechtshof overwoog, samengevat, dat de verkoper weliswaar onrechtmatig heeft gehandeld, maar dat een schadestaatprocedure niet opportuun zou zijn, aangezien niet valt in te zien dat de gemeente in haar hoedanigheid als eigenaar van de omliggende percelen geen relevante schade heeft geleden, te meer nu de gemeente geen vordering op grond van artikel 75 Wet bodembescherming heeft ingesteld. Op basis van dit artikel kan een bestuursorgaan, kort gezegd, de kosten van onderzoek en sanering naar en van bodemverontreiniging verhalen op de veroorzaker.

    De Hoge Raad overwoog dat het gerechtshof ten onrechte niet heeft toegelicht waarom naar zijn oordeel ‘niet valt in te zien’ dat de gemeente als eigenaar kosten zal maken voor onderzoek en sanering van haar terreinen. Aldus heeft het onvoldoende inzicht gegeven in zijn gedachtegang. Als uitgangspunt is immers juist aannemelijk dat een grondeigenaar schade zal lijden in verband met onderzoek en sanering indien zijn grond zodanig verontreinigd blijkt dat sanering noodzakelijk is, aldus de Hoge Raad.

    De Hoge Raad vervolgt zijn overweging door te stellen dat indien het gerechtshof zijn oordeel mede heeft gebaseerd op zijn overweging dat gemeenten de kosten van bodemsanering kunnen verhalen op grond van artikel 75 Wet bodembescherming, maar de Gemeente haar vordering niet op die bepaling heeft gebaseerd, het heeft miskend dat de regeling van artikel 75 Wet bodembescherming onverlet laat dat een overheidslichaam op de grondslag van onrechtmatige daad vergoeding kan vorderen van schade die het in de hoedanigheid van grondeigenaar lijdt wegens kosten van onderzoek en sanering. Mocht het hof ervan zijn uitgegaan dat de gemeente de kosten waarvan zij vergoeding vordert niet kan maken als grondeigenaar, berust zijn oordeel volgens de Hoge Raad eveneens op een onjuiste rechtsopvatting.

  • Uber is een taxidienst 06 januari 2015 LinkedIn printen

    Chauffeurs die via de app UberPOP personen vervoeren overtreden de Wet personenvervoer 2000. Uber overtreedt deze wet ook omdat zij nauw met de chauffeurs samenwerkt en meedeelt in hun opbrengsten. Dit blijkt uit een recente uitspraak van het CBB.

    Sinds de zomer van 2014 biedt Uber International B.V. (hierna: “Uber”) in Amsterdam de dienst UberPOP aan, voor het vervoer van personen door particulieren zonder taxivergunning in hun eigen auto. Deze chauffeurs sluiten een contract af met UBER en krijgen van Uber een iPhone in bruikleen waarmee bestelde ritten geaccepteerd kunnen worden. Via de GPS van het toestel wordt de ritprijs berekend. Personen die van dit vervoer gebruik maken (gebruikers) moeten zich eenmalig aanmelden bij UBER met een creditcard. De gebruiker wordt bij het bestellen van een rit, via de GPS van de telefoon, gekoppeld aan de dichtstbijzijnde chauffeur. De naam, foto en beoordeling van de chauffeur en het model en het kenteken van de auto worden bij de gebruiker zichtbaar in de Uber POP app. Uber werkt zonder contant geld. Bij aankomst op de bestemming wordt de ritprijs automatisch afgeschreven van de gekoppelde creditcard van de gebruiker. De gebruiker ontvangt via een e-mail een factuur. De chauffeur ontvangt tachtig procent van de ritprijs op zijn bankrekening. Uber ontvangt twintig procent.

    De Minister van Infrastructuur en Milieu (hierna: “Minister”) acht deze handelswijze in strijd met artikel 76, eerste lid, van de Wet personenvervoer 2000 (hierna: “Wp2000”). Op grond van dit artikel is het verboden taxivervoer te verrichten zonder een daartoe door de Minister verleende vergunning. Uber had een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van het College van Beroep en Bedrijfsleven, nadat de Minister een last onder dwangsom had opgelegd aan Uber en een viertal chauffeurs die gebruik maakten van de app UberPOP.

    Het door de chauffeurs verrichte personenvervoer tegen betaling per auto is, volgens de voorzieningenrechter, gelet op de definitie in artikel 1 van de Wp 2000, taxivervoer. Daarvoor is op grond van artikel 76, eerste lid, van deze wet een vergunning vereist. Uit de processen-verbaal is gebleken dat de chauffeurs niet over een dergelijke vergunning beschikten. Gelet hierop hebben zij artikel 76, eerste lid, van de Wp2000 overtreden, aldus de voorzieningenrechter.

    Uber stelde dat het opleggen van een last onder dwangsom onevenredig en niet noodzakelijk was omdat zij waarborgen biedt ten aanzien van kwaliteit en betrouwbaarheid en dat er zicht is op legalisatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Minister in beginsel tegen een overtreding van de Wp2000 handhavend dient op te treden. Alleen in bijzondere omstandigheden kan van de Minister worden verlangd om daarvan af te zien. Van een dergelijke bijzondere omstandigheid kan sprake zijn indien concreet zicht bestaat op legalisatie. De omstandigheid dat de huidige taxiwetgeving zal worden geëvalueerd en wellicht aan de nieuwste ontwikkeling zal worden aangepast leidt volgens de voorzieningenrechter echter niet tot de conclusie dat er concreet zicht op legalisatie bestaat.
    De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat de waarborgen die Uber stelt te bieden op het gebied van kwaliteit en betrouwbaarheid, niet wegnemen dat UberPOP chauffeurs niet beschikken over de wettelijk verplichte taxivergunning en ook niet voldoen aan vele wettelijke verplichtingen die gelden voor chauffeurs met een taxivergunning. Alleen al dit gegeven maakt het niet handhaven van het vergunningvereiste in het geval van Uber en de UberPOP chauffeurs, uiterst problematisch, aldus de voorzieningenrechter. Dit te meer omdat geen sprake is van een eenmalige en eindige situatie, maar Uber de ambitie heeft om het vervoer via UberPOP sterk uit te breiden.

    Ook volgt de voorzieningenrechter Uber niet in haar stelling dat de door haar in het kader van UberPOP geboden bescherming voor de consument dezelfde waarborgen biedt als het vergunningvereiste van de Wp2000. Zo dient een taxichauffeur die in aanmerking wil komen voor een taxivergunning en een chauffeurskaart, anders dan een UberPOP chauffeur, te beschikken over een recente geneeskundige verklaring en een chauffeursdiploma waarvoor hij een opleiding heeft gevolgd. Alleen al daarom is volgens de voorzieningenrechter van de door Uber gestelde gelijkwaardigheid geen sprake. Verder wordt in het kader van UberPOP door Uber zelf gecontroleerd of de door haar zelf gestelde regels en voorwaarden met betrekking tot de chauffeurs en hun auto’s worden nageleefd. Deze bescherming is volgens de voorzieningenrechter geenszins gelijkwaardig aan de bescherming die met de Wp2000 en de controle daarop door de Inspectie Leefomgeving en Transport en de politie wordt geboden.

    Een ander interessant aspect van de zaak is dat Uber door de Minister niet als overtreder van artikel 76, eerste lid, Wp2000 wordt gezien, maar als medepleger. Uit de feiten blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat tussen Uber en de individuele chauffeurs sprake is van bewuste en nauwe samenwerking bij het aanbieden en verrichten van taxivervoer en dat Uber daarin een belangrijke rol speelt. De door Uber aangevoerde omstandigheid dat Uber zelf geen auto’s heeft voor het uitvoeren van vervoer, dat het geen chauffeurs in dienst heeft en geen partij is bij het vervoerscontract dat tussen de chauffeur en de passagier wordt gesloten, doet daar, wat er ook van zij, niet aan af. Uber selecteert de chauffeurs en geeft de chauffeurs toegang tot de applicatie waarmee het contact met de passagiers tot stand komt. Ook hebben passagiers slechts toegang tot het vervoer als zij een account bij Uber aanmaken. Uber stelt de tarieven voor het vervoer vast. De betaling voor de rit gebeurt met behulp van de Uber app via een door Uber ingeschakelde betalingsdienst. Twintig procent van de ritprijs wordt uitbetaald aan Uber. Tachtig procent van de ritprijs wordt uitbetaald aan de chauffeur. Hoe meer ritten er in het kader van UberPOP worden gereden, des te meer betalingen Uber daarvoor ontvangt. Hieruit blijkt volgens de voorzieningenrechter dat de bedrijfsmatige activiteiten van Uber in het kader van UberPOP, niet alleen zijn gericht op het bieden van technologie en het faciliteren van het op één plaats samenkomen van vraag en aanbod, maar ook op het feitelijk vervoeren van personen tegen betaling aan de chauffeur én aan Uber.

  • Mondelinge last onder dwangsom 12 december 2014 LinkedIn printen

    Een mondelinge last onder dwangsom bestaat nietUit een recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat een last onder dwangsom (dit wil zeggen een last om aan een overtreding een einde te maken op straffe van een dwangsom) niet mondeling kan worden opgelegd. In deze zaak hadden burgemeester en wethouders iemand mondeling een last onder dwangsom opgelegd om bepaalde werkzaamheden met asbest te staken, op straffe van verbeurte van een dwangsom van twintigduizend euro. Diezelfde dag hebben ambtenaren van de gemeente geconstateerd dat deze last werd overtreden. Burgemeester en wethouders stelden zich vervolgens op het standpunt dat de dwangsom verbeurd is geraakt. De last onder dwangsom werd echter pas een dag later op schrift gesteld.

    Een mondeling opgelegde last is volgens de Afdeling geen besluit in de zin van de wet. Een besluit moet immers op grond van de wet in beginsel schriftelijk zijn. Een last onder bestuursdwang (een last om aan een overtreding een einde te maken, bij gebreke waarvan het bevoegd gezag dat zelf zal doen) kan in spoedeisende gevallen wel mondeling worden opgelegd, waarna deze zo spoedig mogelijk op schrift moet worden gesteld. Ook een stilleggingsbevel van de Inspectie SZW wordt vaak op deze manier gegeven. Dat kan echter niet bij een last een dwangsom. Er is volgens de Afdeling dan ook geen dwangsom verbeurd geraakt, nu de constatering heeft plaatsgevonden voordat de last onder dwangsom schriftelijk was opgelegd.

    Uit deze uitspraak blijkt eens te meer dat het bevoegd gezag het bij handhaving vaak niet bij het rechte eind heeft en dat het dus zin kan hebben om daartegen op te komen.

  • Reactie op een melding 12 december 2014 LinkedIn printen

    De reactie op een melding is een (appellabel) besluit, of toch niet?De advocaat-generaal van de Afdeling bestuursrechtspraak komt tot het oordeel dat een reactie op een melding zou moeten kwalificeren als een besluit. Dat oordeel zet hij uiteen in een recente conclusie in twee zaken waarin meldingen werden gedaan in het kader van een Algemene Plaatselijke Verordening.

    De ‘melding’ komt in veel gedaanten voor in het Nederlandse recht, waaronder verplichte meldingen in het kader van het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit behelst voor diverse sectoren van het bedrijfsleven milieuregels. De jurisprudentie van de Afdeling of de reactie op een dergelijke melding kwalificeert als een besluit is wisselend en niet eenduidig. In het verleden is de Afdeling ook een aantal malen van standpunt gewisseld ten aanzien van de melding voor een ondergeschikte wijziging van een inrichting op grond van het oude artikel 8.19 Wet milieubeheer. De advocaat-generaal adviseert de Afdeling nu elke reactie op een melding te kwalificeren als besluit. Dat zou betekenen dat tegen een dergelijke reactie bezwaar en beroep open staat. Als het bevoegd gezag niet tijdig zou reageren op de melding, kan tegen het uitblijven van die beslissing (waardoor een fictief besluit ontstaat) ook bezwaar en beroep worden ingesteld.

    De conclusie van de advocaat-generaal is slechts een advies aan de Afdeling. Over enige tijd zullen wij weten of dit advies wordt overgenomen en of inderdaad elke reactie op een melding zal kwalificeren als “besluit”. Dat zou wat ons betreft een goede zaak zijn omdat dit de rechtsbescherming van de melder ten goede komt en hij onmiddellijk kan opkomen tegen ongewenste onderdelen in die reactie. Als in die reactie ongewenste onderdelen voorkomen, moet de melder wel oppassen. Hij zal daar binnen de wettelijke termijn rechtsmiddelen tegen moeten instellen. Zo niet, dan is hij in beginsel aan die reactie gebonden.

  • Vervoer gevaarlijke stoffen 12 december 2014 LinkedIn printen

    De Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen komt eraanDe Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen ("Wet Basisnet") introduceert een basisnet waarover gevaarlijke stoffen kunnen worden vervoerd. De Wet Basisnet bestaat niet uit één wet maar uit een aantal wetten en regels dat wordt aangepast. De belangrijkste zijn: de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes, de Regeling Basisnet en het Bouwbesluit. Voor rijkswegen, spoorwegen en belangrijke vaarwegen worden risicoplafonds vastgesteld. Er gelden (verplichte) veiligheidsafstanden tot deze transportroutes, waarmee gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen rekening moeten houden. Ook moet het vervoer van bepaalde aangewezen gevaarlijke stoffen via bepaalde routes lopen. De verwachting is dat onderdelen van de Wet Basisnet op korte termijn in werking zullen treden.

    Het doel van de Wet Basisnet is enerzijds het beheersen van risico’s voor omwonenden langs transportroutes en anderzijds het waarborgen van transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële gebieden. De Wet Basisnet beoogt bescherming te bieden voor de transportroutes tegen oprukkende bebouwing (van woningen). Vooral dit laatste is van wezenlijk belang voor de (chemische) industrie in Nederland. De transportroutes zijn immers de levensader van die industrie. Wij kunnen u nader informeren over de voorgenomen routering.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu