Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Vertrouwen, geen repressie 10 december 2014 LinkedIn printen

    Chemisch bedrijf wil vertrouwen, geen repressie           De overheid houdt zich bij het toezicht op naleving van wet- en regelgeving door chemische bedrijven te veel bezig met repressie. De industrie, het milieu en de veiligheid zouden welvaren bij meer vertrouwen in plaats van repressie, aldus mrs. Gaastra en Bodelier in hun opinieartikel in het FD. Klik hier voor het artikel.

     

  • Opnemen gesprek met ambtenaar 04 december 2014 LinkedIn printen

    De Nationale ombudsman heeft spelregels opgesteld voor het opnemen van gesprekken met (ambtenaren van) overheden. Degene die een gesprek wenst op te nemen zal dat eerst moeten melden aan de desbetreffende gesprekspartner. Overheden kunnen het verzoek in principe niet weigeren, behoudens zwaarwegende belangen. Dan dient naar alternatieven te worden gezocht het gesprek vast te leggen. Van belang is dat overheden zich “transparant en toetsbaar [moeten] opstellen en zich een 'open houding' aanmeten”, aldus de Nationale ombudsman.

    Het komt geregeld voor dat een persoon in zijn ogen een positief gesprek heeft gehad met een ambtenaar tijdens bijvoorbeeld een controlebezoek, maar achteraf negatief verrast wordt door een negatief verslag of beslissing. Wij zien in onze praktijk dat dergelijke gebeurtenissen kunnen leiden tot onbegrip en wantrouwen in de overheid.

    Vaak bestaat er in deze gevallen de wens in het vervolg gesprekken met ambtenaren op te nemen. In beginsel is het niet in strijd met enige wettelijke regeling dat een persoon een gesprek opneemt waar hij zelf aan deelneemt. Die wens wordt van de zijde van de overheid echter niet altijd met enthousiasme  ontvangen. Zo gold bij het UWV tot voor kort een absoluut verbod geluidsopnamen te maken van gesprekken met de verzekeringsarts. Andere overheidsinstanties hanteerden echter weer andere hoofdregels, waardoor het voor burgers en bedrijven niet duidelijk was hoe omgegaan werd – en zou moeten worden – met de wens geluidsopnamen te maken.

    Bij de Nationale ombudsman zijn regelmatig vragen binnengekomen over deze problematiek. Nadat de Nationale ombudsman zich in een aantal afzonderlijke zaken heeft uitgesproken over de toelaatbaarheid geluidsopnamen te maken, heeft hij op 27 november 2014 een rapport gepubliceerd met daarin spelregels voor het maken van geluidsopnamen (Spelregels voor het maken van geluidsopnamen, d.d. 27 november 2014, kenmerk 2014/166).

    De spelregels zijn tot stand gekomen diverse overheidsinstanties zoals het  UWV, de Raad voor de Kinderbescherming, Bureaus Jeugdzorg en de IND. Samengevat is de Nationale ombudsman van mening dat overheden het maken van geluidsopnamen moeten toelaten, behoudens zwaarwegende redenen. Dan dient naar alternatieven te worden gezocht het gesprek vast te leggen. Van belang is dat overheden zich “transparant en toetsbaar [moeten] opstellen en zich een 'open houding' aanmeten”, aldus de Nationale ombudsman.

    De Nationale ombudsman heeft de volgende spelregels geformuleerd:

    1. Een overheidsinstantie staat het maken van een geluidsopname toe, tenzij er zwaarwegende redenen zijn dit niet te doen. In dat geval biedt zij een alternatief aan.

    2. Een overheidsinstantie heeft op de eigen website informatie staan over het opnemen van gesprekken.

    3. Een burger maakt van te voren duidelijk dat hij een geluidsopname wil maken.

    4. De burger verstrekt aan de overheidsinstantie een kopie van de opname als deze dat wenst (of vice versa als de overheidsinstantie de opname maakt).

    5. Noch de burger noch een overheidsinstantie knipt of plakt in een geluidsopname, tenzij dit wordt meegedeeld.

    6. Noch de burger noch een overheidsinstantie verstrekt zonder toestemming van de andere partij geluidsopnamen aan derden of maakt deze openbaar.

    Meer weten? Neem contact op met Gaastra advocaten op info@ga-law.eu of 020-6549644.

  • Workshop Warmtewet 05 november 2014 LinkedIn printen

    Jan Rube heeft op 9 oktober 2014 naar aanleiding van zijn artikel in het tijdschrift Bouwrecht, “De Warmtewet en woningcorporaties: De (onbedoelde) gevolgen van de invoering van de Warmtewet voor woningcorporaties” een workshop gegeven bij de werkgroep Veilig & Gezond Wonen.

    Tijdens deze workshop ging Jan Rube in op de inhoud en de ontstaansgeschiedenis van de Warmtewet. Daarnaast besprak hij de implicatie van de Warmtewet voor woningbouwcorporaties. Tevens behandelde hij onder meer zaken omtrent het vastleggen van warmtelevering in overeenkomsten,  wie op grond van de Warmtewet als leverancier van warmte wordt beschouwd en wie verantwoordelijk is voor schade bij een eventuele storing in de warmtelevering.

    De presentatie van Jan Rube is hier te raadplegen.

    Heeft u zelf nog vragen over de Warmtewet neemt u dan contact op met Jan Rube via 020 654 96 44 of jrube@ga-law.eu

  • Windenergie op zee 23 oktober 2014 LinkedIn printen

    De Afdeling advisering van de Raad van State heeft haar advies bekend gemaakt ten aanzien van het wetsvoorstel windenergie op zee. Dit wetsvoorstel behelst kort gezegd de samenvoeging van de vereiste publiekrechtelijke toestemmingen voor de realisatie van windturbines op zee in een zogenoemd “kavelbesluit”. De Afdeling heeft vier belangrijke kanttekeningen geplaatst bij dit wetsvoorstel. Ten eerste dient volgens de Afdeling te worden gewaarborgd dat een redelijke afweging van de betrokken (nationale) belangen plaatsvindt als een kavelbesluit wordt aangevraagd door een initiatiefnemer. De Afdeling wijst daarbij bijvoorbeeld op de situatie dat er reeds een mijnbouwvergunning is afgegeven aan een derde voor dezelfde locatie.

    Ten tweede plaatst de Afdeling een kanttekening bij de vereiste actualiteit van de passende beoordeling (voor de exploitatie van een windpark in een Natura 200 gebied) en de rechtsgevolgen die zijn verbonden aan de eventuele omstandigheid dat een passende beoordeling onvoldoende actueel is. Ten derde stelt de Afdeling vast dat in het wetsvoorstel geen rechtsbescherming openstaat tegen een wijziging of intrekking van een kavelbesluit. Ten vierde vraagt de Afdeling de aandacht ervoor dat de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tevens van toepassing is op de territoriale wateren. Naast een kavelbesluit zou dus tevens een omgevingsvergunning vereist kunnen zijn voor de oprichting van windturbines als deze in de territoriale wateren zouden worden geplaatst.

    De regering heeft inmiddels het wetsvoorstel aangepast naar aanleiding van de opmerkingen van de Afdeling. Het wetsvoorstel is voor zover bekend nog niet aan de Tweede Kamer toegezonden. Voor potentiële ontwikkelaars en investeerders in windenergie op zee lijkt ons dit wetsvoorstel van groot belang. De samenvoeging van de publiekrechtelijke toestemmingen in één kavelbesluit zal de procedure immers stroomlijnen en de proceduretijd mogelijk verkorten. 

  • Versoepeling regelgeving 06 oktober 2014 LinkedIn printen

    Het wordt eenvoudiger om iets bij een huis of kantoorgebouw te bouwen. Per 1 november 2014 worden de regels ten aanzien van het aan- of uitbouwen, bijgebouwen plaatsen of andere kleine bouwwerken aan de achterkant van een woning of ander hoofdgebouw vereenvoudigd en versoepeld.

    Zo zal het vergunningvrij vergroten van een hoofdgebouw worden uitgebreid van 2,5 naar 4 meter en wordt het mogelijk om op het achtererf van een woning een woongelegenheid voor mantelzorg te realiseren.
     
    Daarnaast gaat vaker de korte (reguliere) procedure  van acht weken in plaats van zes maanden gelden voor de omgevingsvergunning om af te wijken van het bestemmingsplan. De eenvoudige procedure gaat bijvoorbeeld gelden voor tijdelijke activiteiten tot een duur van 10 jaar.

    Voorts wordt de procedure ten aanzien van een omgevingsvergunning om van een bestemmingsplan af te wijken voor meer gevallen verkort van 26 naar acht weken. Zo zal deze procedure onder meer voor tijdelijke activiteiten tot een duur van 10 jaar gaan gelden.

    Met de nieuwe regels kunnen gemeenten straks eenvoudiger en sneller aanvragen afwikkelen voor vergunningen die in strijd zijn met het bestemmingsplan binnen bestaande gebouwen. Dat geldt tevens voor tijdelijke afwijkingen tot een duur van 10 jaar. Het gaat dan bijvoorbeeld om noodwinkels of noodscholen.

    Met de nieuwe regels wordt het eenvoudiger leegstaande kantoorgebouwen een andere maatschappelijk gewenste functie te geven. Kantoren kunnen op die manier sneller worden omgebouwd tot bijvoorbeeld studentenflats of (senioren)woningen. Het kabinet wil met de vereenvoudiging van de regels meer ruimte bieden aan particulieren en bedrijven voor innovatie en eigen initiatief. 

  • Afvalstoffenbelasting 17 september 2014 LinkedIn printen

    De afvalstoffenbelasting gaat per 1 januari 2015 omlaag van EUR 17,00 per ton naar EUR 13,00 per ton. De heffing geldt vanaf die datum echter niet langer uitsluitend voor het storten maar tevens voor het verbranden van afval. Dat laatste is nieuw. Er wordt geen afvalstoffenbelasting geheven voor afval dat wordt gerecycled. De belasting wordt geheven aan de poort van de stort- en verbrandingsinrichtingen.
                   
    Deze wetsvoorstellen blijken uit het belastingplan 2015 dat op Prinsjesdag is gepresenteerd. Wanneer deze wetswijzigingen daadwerkelijk in werking zullen treden is afhankelijk van de behandeling in het parlement en de publicatie in het Staatsblad. Tot 1 januari 2015 wordt in elk geval uitsluitend stortafval belast tegen het huidige tarief.

  • Allergenenwetgeving 09 september 2014 LinkedIn printen

    Horecaondernemers zijn per 13 december 2014 verplicht om informatie aan hun gasten beschikbaar te stellen omtrent de aanwezigheid van allergenen in gerechten. Dit moet de voedselveiligheid voor mensen met een allergie voor bijvoorbeeld pinda’s, gluten en schaaldieren vergroten.

    Deze verplichting is een gevolg van het van kracht worden van de Europese Verordening betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten (EU) Nr. 1169/2011. De verplichting komt er in de praktijk op neer dat een horecaondernemer de allergeneninformatie, als onderdeel van het voedselveiligheidsplan, schriftelijk moet vastleggen. De allergeneninformatie moet voor het personeel van de onderneming te allen tijde raadpleegbaar zijn.

    Afhankelijk van het soort en grootte van zijn onderneming heeft de horecaondernemer een aantal keuzemogelijkheden om zijn gasten te informeren over de aanwezigheid van allergenen in gerechten. De horecaondernemer kan er bijvoorbeeld voor kiezen om de allergeneninformatie op te nemen in een allergenenlijst en deze vervolgens aan de menukaart toe te voegen. Een andere mogelijkheid is om een mededeling te plaatsen op de menukaart dat een gast met een voedselallergie dit bij het personeel kan melden, zodat zij de gast kunnen voorlichten omtrent de aanwezigheid van eventuele allergenen.

    Het is van groot belang dat een horecaondernemer beschikt over een gedegen allergenenbeleid. Horecaondernemers die na de inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving geen gedegen allergenenbeleid hebben ingevoerd, riskeren namelijk niet enkel boetes van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, maar zijn in beginsel ook niet verzekerd bij eventuele schade en aansprakelijkstelling.

  • Handhaving en beleid 04 juli 2014 LinkedIn printen

    De uitspraak

    In deze zaak had de belanghebbende een perceel grond aan het water. In dat water stond een meerpaal die daar kennelijk illegaal was neergezet. De belanghebbende  verzocht burgemeester en wethouders om op te treden tegen deze illegaal geplaatste meerpaal. B&W weigerden dit echter omdat aan de overtreding op grond van het handhavingsbeleid een lage handhavingsprioriteit was toegekend. De belanghebbende kon was het hiermee niet eens en kwam in bezwaar en (hoger) beroep tegen de weigering op te treden tegen de meerpaal.

    In hoger beroep stelt de belanghebbende dat het beleid van B&W er toe leidt dat nooit meer zou worden opgetreden tegen de illegaal geplaatste meerpaal. Aan de overtreding was een lage prioriteit toegekend en dit zou pas veranderen als het beleid na een aantal jaren zou worden gewijzigd. Dit verhoudt zich niet tot de plicht die bestuursorganen in beginsel hebben om op te treden tegen illegale situaties. De Afdeling stelt dat het aanbrengen van een prioritering bij handhaving mogelijk is. Zo kan een bestuursorgaan bijvoorbeeld bepalen dat op de naleving van bepaalde voorschriften minder toezicht wordt gehouden. Ook kan een bestuursorgaan bepalen dat pas wordt gehandhaafd nadat een belanghebbende daarom heeft verzocht. De Afdeling stelt echter expliciet dat een verzoek om handhaving niet uitsluitend mag worden afgewezen onder verwijzing naar het handhavingsbeleid. Daarmee zou immers de plicht van bestuursorganen om op te treden tegen illegale situaties teniet worden gedaan.

    De gevolgen voor de handhavingspraktijk

    Bestuursorganen hebben beperkte middelen en personeel. Niet aan iedere overtreding kan evenveel aandacht worden besteed. Aan welke overtredingen wel of niet aandacht moet worden besteed kan in beleid worden vastgesteld. Deze werkwijze keurt de Afdeling niet af. Wat de Afdeling wel afkeurt is een verzoek om handhaving af wordt gewezen enkel en alleen omdat aan de overtreding een lage prioriteit is toegekend.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu