Header
Nederlands
English
Nederlands
English

Nieuwsberichten

Nieuwsberichten

  • Wet Bibob en vastgoed 01 juli 2014 LinkedIn printen

    De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) is per 1 juli 2013 grondig gewijzigd. Deze wijziging heeft enige discussie opgeleverd. Zo was er bijvoorbeeld de opmerking van de Minister van Veiligheid en Justitie (de minister) dat in het kader van de Wet Bibob een transactie met het Openbaar Ministerie als bedoeld in art. 74 Sr gelijk staat aan een publieke schuldbekentenis. Dat is voor met name rechtspersonen die verdacht worden van financiële delicten relevant. Bij financiële delicten wordt namelijk doorgaans getransigeerd met het Openbaar Ministerie in plaats van dat de zaak op zitting komt.

    De wijzigingen hebben ook voor de vastgoedsector gevolgen. In hun artikel (Bouwrecht 2014/63) bespreken Jan Rube en Frank Wijnveld twee voor de vastgoedsector relevante wijzigingen. Dat is (i) dat de Wet Bibob op vastgoedtransacties waar de overheid partij bij is van toepassing is; en (ii) dat de definitie van het ‘zakelijk samenwerkingsverband’ is uitgebreid.

  • Advocaat in het bestuursrecht 05 juni 2014 LinkedIn printen

    Burgers kunnen zichzelf vertegenwoordigen in een juridisch conflict met de overheid – een advocaat is daarbij niet nodig. Maar de ‘lekenbescherming’ schiet tekort, stelt Adriaan Mallan in zijn proefschrift waarop hij 4 juni aan Tilburg University promoveerde. Zijn impliciete boodschap: neem ook bij bestuursrechtelijke procedures een advocaat in de arm.

    Rechtsbescherming tegen de overheid mag voor burgers geen kostbare aangelegenheid zijn. Daarom hoeven burgers niet verplicht met een advocaat bij de bestuursrechter te procederen. De wetgever heeft bestuursrechtelijke procedures immers zo ingericht dat burgers die zichzelf vertegenwoordigen vanwege hun gebrek aan juridische deskundigheid niet vastlopen in de molen of anderszins niet optimaal procederen. De procedure is laagdrempelig en de bestuursrechter speelt een actieve rol, zodat de ‘onkunde’ van de burger wordt gecompenseerd. De bestuursrechtadvocaat kan wel thuis blijven.

    Toch lijkt de jurisprudentie een andere kant te zijn ingeslagen. Zo mag de burger in de beroepsfase (bij de bestuursrechter) niet tegen onderdelen van het besluit opkomen, als hij deze niet al in de bezwaarfase aan de orde heeft gesteld. Verder beoordeelt de bestuursrechter nauwelijks zelfstandig de rechtmatigheid van beslissingen van bestuursorganen: hij beperkt zich tot de gronden die de burger ertegen aanvoert. Dat moet je als burger maar weten – wat dus heel vaak niet het geval is. Bestuursrechters bieden burgers die zichzelf vertegenwoordigen aldus te weinig bescherming tegen hun gebrek aan juridische deskundigheid, concludeert Adriaan Mallan in zijn proefschrift Lekenbescherming in het bestuursprocesrecht.

    Die bescherming kan beter worden geboden door zij die wel juridisch deskundig zijn. Met andere woorden: mét een advocaat in de arm maken burgers bij de bestuursrechter meer kans dan zonder.

    Bron: Advocatenblad juni 2014

  • Een woonboot is een bouwwerk 04 juni 2014 LinkedIn printen

    De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft recent beslist dat een woonboot een bouwwerk is in de zin van de Wabo. Deze uitspraak kan grote gevolgen hebben voor gemeenten en woonbooteigenaren.

    De uitspraak

    In de uitspraak van de Afdeling (ECLI:NL:RVS:2014:1331) stond de vraag centraal of voor de verbouwing van een woonboot in Amsterdam een zogeheten ´verbouwingsvergunning´ op grond van de Verordening op het binnenwater 2010 was vereist, of een omgevingsvergunning bouwen op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De rechtbank overwoog in eerste aanleg dat de woonboot moet worden aangemerkt als een bouwwerk, zodat voor het verbouwen daarvan een omgevingsvergunning is vereist en het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam de door woonbooteigenaar ingediende aanvraag om verbouwingsvergunning had moeten afwijzen.

    In het daarop volgende hoger beroep volgde de Afdeling de overwegingen van de rechtbank. Uit de uitspraak van de Afdeling valt af te leiden dat voor de vraag of een woonboot als bouwwerk is te kwalificeren, niet enkel de constructie van een object en de verbondenheid met de grond fysiek is vormgegeven bepalend is, maar ook de aard en de hoedanigheid van het object alsmede het gebruik dat ervan wordt gemaakt. Voor de Afdeling is het doorslaggevend dat de woonboot is bedoeld om ter plaatse als woning te functioneren.

    De mogelijke gevolgen

    Op grond van de Wabo is het verboden om zonder vergunning een bouwwerk op te richten en opgericht te houden. Voor het bouwen of verbouwen van een woonboot is op grond van deze uitspraak derhalve een omgevingsvergunning vereist. Aangezien ook het in stand houden van zonder omgevingsvergunning opgerichte bouwwerken in strijd is met de Wabo zijn woonboten die in het verleden zonder omgevingsvergunning (of bouwvergunning) zijn opgericht, in beginsel illegaal. Gemeenten zouden daar in theorie op kunnen handhaven.

    Voorts heeft het feit dat een woonboot de kwalificatie ‘bouwwerk’ heeft gekregen het gevolg dat het Bouwbesluit 2012 op de nieuwbouw en verbouwing van woonboten van toepassing is. Het Bouwbesluit 2012 bevat echter geen normen ten aanzien van woonboten. Het is de vraag of er aansluiting zal worden gezocht bij de in het Bouwbesluit 2012 opgenomen (strengere) bouwnormen ten aanzien van woningen of een andere oplossing wordt gezocht. Gedacht kan worden aan aansluiten bij de bouwnormen die gelden voor woonwagens.

  • Verborgen gevolgen van besluit 13 mei 2014 LinkedIn printen

    Belanghebbenden bij een besluit van een bestuursorgaan zullen scherp moeten zijn op voor hen negatieve (rechts)gevolgen van een besluit. Bij twijfel is het vaak beter zekerheidshalve bezwaar te maken of beroep in te stellen. Dat geldt te meer in het geval de rechtsgevolgen van het besluit niet direct kenbaar zijn, hetgeen het hierna besproken arrest van de Hoge Raad pijnlijk illustreert.

    Vanaf het moment dat een besluit van een bestuursorgaan in rechte onaantastbaar is geworden heeft dat besluit ‘formele rechtskracht’ verkregen. De formele rechtskracht van een besluit houdt onder meer in dat de rechtsgevolgen van dat besluit vast staan. Ongeacht of een besluit een gebrek kent, zal in toekomstige aangelegenheden, zoals een opvolgend besluit, of een uitspraak van een rechter, vanwege de formele rechtskracht in beginsel uitgegaan moeten worden van de juistheid van de inhoud van het besluit. De werking van formele rechtskracht verschaft aan de ene kant rechtszekerheid. Immers, op enig moment zal een einde moeten komen aan de rechtsstrijd. Aan de ander kant kan echter strikte handhaving van formele rechtskracht tot onwenselijke en soms onwerkbare situaties leiden, bijvoorbeeld wanneer het besluit gebreken kent. Er wordt echter alleen in hele bijzondere gevallen afgeweken van de formele rechtskracht. Het is daarom relevant te weten over welke onderdelen van een besluit de formele rechtskracht zich uitstrekt.

    In het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:812) stond de vraag hoe ver de formele rechtskracht strekt centraal. Het betrof een geschil tussen enkele verzorgingstehuizen en het College voor Zorgverzekeringen (het CVZ).

    In 2000 was tussen deze verzorgingstehuizen en het CVZ  afgesproken dat de onder de oude Wet op de bejaardenoorden opgebouwde investeringsreserves zouden worden toegewezen aan de individuele verzorgingshuizen. Afgesproken werd dat “de toewijzing […] plaats [vindt] bij de afrekeningen 1998 en/of 1999, al naar gelang de hoogte van het bedrag.” Dergelijke afrekeningen zijn subsidies en daardoor besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De subsidies voor de verzorgingshuizen over de jaren 1998 en 1999 zijn uiteindelijk vastgesteld in 2002, maar daarin werd geen melding gemaakt van de investeringsreserves. De verzorgingstehuizen zijn echter niet opgekomen tegen de subsidiebesluiten van het CVZ.

    Toen de verzorgingstehuizen in 2005 alsnog om uitkering van de investeringsreserves verzochten werden deze verzoeken afgewezen, aangezien de subsidies over 1998 en 1999, en daarmee conform de toewijzing van de investeringsreserves al had plaatsgevonden en deze subsidiebesluiten inmiddels onaantastbaar waren. Om deze reden hebben de verzorgingstehuizen gepoogd op grond van nakoming van de overeenkomst uit 2000 de investeringsreserves alsnog uitbetaald te krijgen via een civiele procedure, hetgeen heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad.

    De Hoge Raad overweegt uiteindelijk dat de subsidiebesluiten uit 2002 formele rechtskracht hebben gekregen. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat de verzorgingshuizen in een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de subsidiebeslissingen  hadden kunnen aanvoeren dat deze in strijd met de overeenkomst uit 2002 geen beslissing bevatten over de uitkering van de investeringsreserves. De formele rechtskracht van de subsidiebesluiten staat daardoor toewijzing van de vordering in de weg.

  • Wijziging EVOA 30 april 2014 LinkedIn printen

    Het Europees Parlement heeft op 17 april 2014 ingestemd met een voorstel van de Europese Commissie tot wijziging van de EVOA (de verordening inzake de overbrenging van afvalstoffen). Deze wijziging beoogt een meer uniforme handhaving van de EVOA binnen de EU te bewerkstelligen. Dit doel tracht men te bereiken door EU-brede minimumvereisten voor controles vast te stellen. Lidstaten zullen ook worden verplicht inspectieplannen op te stellen.

    Voor de concurrentiepositie van Nederland lijkt deze wijziging positief. Nederlandse exporteurs en handelaren hebben te lijden van de verhoudingsgewijs zwakke handhaving in andere Europese landen. Een gemiste kans lijkt ons echter het uitblijven van verduidelijking van begrippen en het wegnemen van interpretatieverschillen tussen de lidstaten (bijvoorbeeld met betrekking tot normen voor maximale verontreinigingen). Alleen daarmee zou naar ons inzicht een echt gelijk speelveld voor afvaltransport kunnen worden gecreëerd.

    De wijziging introduceert op Europees niveau voorts de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om van de exporteur bewijs te vragen omtrent de rechtmatigheid van de afvaloverbrenging. Voor Nederland lijkt dit element niets nieuws te brengen. De toezichthouder heeft op grond van de Algemene wet bestuursrecht immers al het recht om in redelijkheid alle medewerking te vorderen bij het uitoefenen van zijn toezicht. Voorts kan de toezichthouder in Nederland reeds inzage vorderen in gegevens.

  • Ontwikkeling windenergie 15 april 2014 LinkedIn printen

    Deze structuurvisie (klik hier) past in de ambitie van het kabinet om in 2023 16% van het Nederlandse energieverbruik afkomstig te laten zijn van duurzame bronnen (zon, wind en water). In 2020 dient volgens de regering 4.450 MW windenergie te worden opgewekt op zee en 6.000 MW op land.

    Op tal van plaatsen komt de ontwikkeling van windenergie op land nu op gang. Ook in Noord-Holland. Op 2 april 2014 heeft de provincie Noord-Holland conceptkaarten opgesteld waarop de mogelijke locaties voor windturbines zijn ingetekend (voor de kaarten klik hier). Het zal volgens de provincie gaan om 50 nieuwe turbines op maximaal acht locaties. Deze zullen waarschijnlijk binnenkort worden ontwikkeld.

    Bij de ontwikkeling van windenergie komen tal van juridische knelpunten aan de orde. Gaastra advocaten heeft veel ervaring en specialistische kennis op dit gebied. Heeft u vragen of wenst u advies over de ontwikkeling van windturbines, neem dan contact met ons op. 

  • Toetsing aan Barro 15 april 2014 LinkedIn printen

    De feiten lagen in deze zaak als volgt. B&W van Vlieland hebben een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een appartementencomplex. B&W hebben tegelijkertijd een omgevingsvergunning verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan op basis van een afwijkingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan. De buurman van het perceel waarop dit appartementencomplex zou worden gebouwd, was het niet eens met de verlening van die vergunning en stelde onder meer dat deze in strijd zou zijn met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro bevat algemene regels voor de gemeenteraad omtrent de inhoud van een bestemmingsplan. In artikel 2.3.5 Barro is bepaald dat op gronden buiten het stedelijk gebied geen nieuwe bebouwing mogelijk mag worden gemaakt in een nieuw bestemmingsplan ten opzichte van het oude bestemmingsplan, daar waar het betreft kustfundamenten. Volgens de buurman werd dit door de vergunning voor het appartementencomplex wel mogelijk gemaakt.

    De rechtbank overweegt in haar uitspraak van 28 maart 2014 dat aan algemeen verbindende voorschriften (zoals afwijkingsbevoegdheden in een bestemmingsplan) verbindende kracht kan worden ontzegd als deze in strijd zijn met een hoger wettelijk voorschrift. Het Barro richt zich volgens de rechtbank echter uitsluitend tot de gemeenteraad en bevat geen rechtsreeks werkende regels voor burgers. Bij de verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan op grond van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid bindt het Barro het gemeentebestuur volgens de rechtbank niet. Als de buurman van mening is dat in het bestemmingsplan het Barro niet of onvoldoende in acht is genomen, had de buurman volgens de rechtbank moeten opkomen tegen het bestemmingsplan. De rechtbank toetst bij de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen en het afwijken van het bestemmingsplan op basis van een afwijkingsbevoegdheid in het geldende bestemmingsplan niet meer aan het Barro. Dat zou anders zijn geweest als in het bestemmingsplan geen afwijkingsbevoegdheid was opgenomen. Bij de verlening van de zogeheten "buitenplanse" omgevingsvergunningen op grond van artikel 2.12 lid 1 sub a en onder 3 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is B&W wel gebonden aan het Barro.

    Deze uitspraak bevestigt eens te meer dat het van belang is om bij de totstandkoming van een bestemmingsplan scherp te zijn op alle ontwikkelingsmogelijkheden voor naburige percelen die een bestemmingsplan biedt. Ook kan een nieuw bestemmingsplan de bestaande gebruiksmogelijkheden van het eigen perceel beperken. Het is dan ook essentieel om een nieuw bestemmingsplan kritisch te bestuderen en tijdig (binnen de wettelijke termijnen) te reageren op een mogelijk onwelgevallig (ontwerp)bestemmingsplan. Anders kan men weleens voor onaangename verrassingen komen te staan. 

  • Hergebruik afval 10 februari 2014 LinkedIn printen

    Er is veel te winnen als de huidige wet- en regelgeving voor afval beter wordt ingezet. Overheid, rechters, bedrijfsleven en burgers lijken nog te veel het oude denkbeeld te koesteren dat alles wat afval’ wordt genoemd weinig tot geen economische waarde heeft en dat afval per definitie aan (strikt) toezicht moet worden onderworpen.

    Dit leidt ertoe dat overheid en rechters de bestaande afvalstoffenregelgeving te rigide uitleggen en toepassen. Bedrijven benutten de kansen die de huidige regelgeving biedt onvoldoende. Dit stelt mr. Bodelier in het FD van 10 februari 2014.


terug naar boven


Vragen

Heeft u vragen? Neem dan contact met ons op via 020 654 96 44 of stuur een e-mail naar info@ga-law.eu