pagina afdrukken


Basis voor nieuw voorschrift

Nieuwe kennis over de milieugevolgen van een inrichting kan volgens een uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 28 juni 2018 aanleiding zijn voor ambtshalve wijziging van vergunningsvoorschriften van Chemours, ook als die ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu al langer bestonden.

De meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag oordeelde bij uitspraak van 28 juni 2018 (in de zaken met kenmerk SGR 17/3754 en 17/3801) dat het bevoegd gezag in de zin van de Wabo de voorschriften bij een milieuomgevingsvergunning op basis van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet alleen kan wijzigen in geval van de ‘ontwikkeling van de kwaliteit van het milieu’ zoals letterlijk uit dat artikellid volgt, maar ook in geval van ‘nieuwe kennis’ over de milieugevolgen van de activiteiten van de inrichting.

De zaak betreft de inrichting van Chemours, die synthetische polymeren waaronder Teflon (PTFE) produceert. Het lijkt er op dat het bevoegd gezag is gekomen tot een aanscherping van de vergunningsvoorschriften na de relatief recente publieke aandacht voor PTFE en de schadelijke gevolgen van die stof voor het milieu. Chemours was in beroep opgekomen tegen de ambtshalve wijziging van de emissievoorschriften bij haar milieuomgevingsvergunning. Zij stelde dat de ontwikkelingen zich moeten hebben voorgedaan na verlening van de laatste revisievergunning aan het bedrijf voordat sprake kan zijn van ‘ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu’. Daar zou in dit geval geen sprake van zijn, zodat gedeputeerde staten van Zuid-Holland niet bevoegd zouden zijn om de voorschriften bij de vergunning ambtshalve te wijzigen.

Uit het bestreden besluit tot oplegging van die wijziging volgt ook dat de aanleiding daarvoor niet de ontwikkeling (lees: verslechtering) van de kwaliteit van het milieu zelf was, maar nieuwe informatie daarover.

De rechtbank meende echter dat het betreffende artikellid ruim moet worden uitgelegd, gebaseerd op de wetssystematiek en de wetsgeschiedenis. De rechtbank wijst er op dat dit artikellid volgens de Memorie van Toelichting bij de wet tot doel heeft een zo groot mogelijke bescherming van het milieu te bewerkstelligen. Gelet daarop is het volgens de rechtbank ook niet vereist dat er wetenschappelijke zekerheid bestaat over de exacte milieugevolgen van de geëmitteerde stoffen (E1).

Een en ander komt er op neer dat nieuwe kennis over bepaalde milieugevolgen alsnog aanleiding kan zijn voor aanscherping van de voorschriften die zijn verbonden aan een milieuomgevingsvergunning, hoewel het bevoegd gezag daar bij verlening van de laatste revisievergunning nog niet aan heeft gedacht. Ter (verdere) beperking van de (negatieve) ontwikkelingen in de kwaliteit van het milieu die zich al voor verlening van de revisievergunning voordeden, kan dan alsnog een vergunningsvoorschrift worden aangescherpt. Dit lijkt ons overigens wel anders te zijn indien het bevoegd gezag geacht wordt die ontwikkelingen al te hebben gekend ten tijde van de verlening van de laatste revisievergunning. Dat wordt ons inziens bevestigd in andere jurisprudentie.