pagina afdrukken


Beoordeling geluidbelasting

De Afdeling heeft geoordeeld dat het bij de beoordeling van de geluidbelasting in het kader van een goed woon- en leefklimaat niet genoeg is om vast te stellen dat er wordt voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder en/of de Wet milieubeheer, maar dat ook andere omstandigheden van belang zijn.

In zijn uitspraak van 27 juni 2018 (in zaak 201706342/1/R6) oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dat het bij de beoordeling van de geluidbelasting vanwege een bestemmingsplan niet voldoende is om vast te stellen dat wordt voldaan aan de normen uit de Wet geluidhinder en/of de Wet milieubeheer.

De zaak betrof de vaststelling van een bestemmingsplan door de gemeenteraad van Dordrecht, waarmee de ontwikkeling van het bedrijventerrein Dordtse Kil IV mogelijk wordt gemaakt. Voor de ontsluiting van dit bedrijventerrein is gelijktijdig een afzonderlijk bestemmingsplan vastgesteld, dat onder meer voorziet in een aanpassing van de A16. Tegen dit bestemmingsplan is beroep ingesteld door een omwonende, wiens woning zich op ongeveer 950 meter van het beoogde bedrijventerrein bevindt. Hij stelde dat door verkeerslawaai een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan bij zijn woning, en dat de gemeenteraad om die reden geen woonbestemming aan zijn gronden had mogen toekennen. De geluidbelasting bij zijn woning is nu al zeer hoog, en zou ten gevolge van dit bestemmingsplan nog verder toenemen.

De gemeenteraad stelde dat er geen sprake zal zijn van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning van appellant. Er is inderdaad sprake van een hoge geluidbelasting in de huidige situatie, maar dit zal volgens de gemeenteraad door het bestemmingsplan niet wezenlijk veranderen. Er is onderzoek gedaan naar de cumulatie van geluid, en vanwege het nemen van diverse maatregelen, waaronder het gebruik van tweelaags ZOAB, zou de gecumuleerde geluidbelastingen van alle ontwikkelingen samen niet toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Bovendien zou worden voldaan aan de in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer gestelde eisen.

De Afdeling meende dat beoordeeld moet worden of de geluidssituatie zo slecht is, dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt had moeten stellen dat geen sprake meer is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de woning en dat een woonbestemming voor het perceel daarom niet wenselijk is. Dat wordt voldaan aan de in de Wet geluidhinder en de Wet milieubeheer gestelde eisen vormt een indicatie dat er sprake is van een woon- en leefklimaat, maar dit betekent niet zonder meer dat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegeven.

Bij de belangenafweging dient ook te worden gekeken naar andere relevante aspecten, zoals het feit dat er in de bestaande situatie al sprake is van een zeer hoge geluidbelasting op de woning – te weten 71 dB op de gevel. Aan het voorheen geldende bestemmingsplan uit 2013 is geen akoestisch onderzoek ten grondslag gelegd waarin de geluidssituatie voor dit perceel specifiek is onderzocht. De gemeenteraad heeft de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat bij deze woning destijds niet volledig afgewogen en beoordeeld, en had dat in het kader van het thans voorliggende bestemmingsplan alsnog moeten doen. Volgens de Afdeling kon de gemeenteraad daarom niet volstaan met de constatering dat de geluidsituatie niet verslechtert ten opzichte van de huidige situatie. Verder heeft de gemeenteraad geen rekening gehouden met de hoge geluidbelasting op de tuin en de naar voren gebrachte wens van appellant om geen woonbestemming meer toe te kennen aan het perceel. De gemeenteraad heeft derhalve bij de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het woon- en leefklimaat niet alle relevante factoren betrokken, en had daarom niet de conclusie mogen trekken dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Indien de geluidbelasting op de gevel van de woning significant lager zou zijn geweest, zou het argument van de gemeenteraad dat de situatie door vaststelling van het bestemmingsplan geen (wezenlijke) verslechtering met zich mee zou brengen mogelijk voldoende zijn geweest. De essentie van deze zaak is dat het in stand laten van een zeer slecht woon- en leefklimaat in een nieuw bestemmingsplan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening, zeker als daar niet eerder naar is gekeken.