pagina afdrukken


Onrechtmatige hinder

Het beschikken over een vergunning voor bepaalde activiteiten, maakt nog niet dat het toebrengen van hinder zonder meer rechtmatig is. Deze vaste lijn in de jurisprudentie is recent bevestigd in een arrest van de Hoge Raad van 16 juni 2018.

Om hinder te voorkomen voor omwonenden van bepaalde industriële activiteiten, gelden milieuregels. Ondanks het voldoen aan de geldende milieuregels kan sprake zijn van onrechtmatige hinder. Op 16 juni 2017 heeft de Hoge Raad een arrest gewezen over dit onderwerp (HR 16 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1106, AB 2018/117).

In deze procedure stond een pluimveehouderij tegenover eigenaren van de in de omgeving van de die pluimveehouderij gelegen recreatiewoningen. De eigenaren van de recreatiewoningen vorderden schadevergoeding vanwege onrechtmatig toegebrachte stankhinder afkomstig van de pluimveehouderij.

De pluimveehouderij beschikte ten tijde van de hinder niet over een vereiste vergunning. Een dergelijke vergunning was herhaaldelijk verleend aan de pluimveehouderij, maar werd telkens vernietigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De pluimveehouderij stelde dat geen sprake kon zijn van onrechtmatige hinder, nu zij voldeed aan de milieuregels. Uit de geldende milieuregels volgde dat een bepaalde minimumafstand moest worden aangehouden tussen de inrichting die de geurhinder veroorzaakt en de te beschermen objecten. De pluimveehouderij betoogde dat zij ruimschoots aan die norm voldeed. De minimumafstand was 400 meter en de werkelijke afstand tussen de pluimveehouderij en de dichtstbijzijnde recreatiewoning op het park was 427 meter.

De Hoge Raad ging niet mee in het betoog van de pluimveehouderij en oordeelde dat sprake was van onrechtmatige geurhinder jegens de eigenaren van de recreatiewoningen. Van belang voor deze uitkomst was het volgende.

Naast de geldende milieuregels is artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek relevant voor het voorkomen van hinder voor omwonenden. Uit dit artikel volgt dat de eigenaar van een erf niet in een mate of op een wijze die volgens artikel 6:162 Burgerlijk Wetboek onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen zoals door het verspreiden van rumoer, trillingen, stank, rook of gassen, door het onthouden van licht of lucht of door het ontnemen van steun. Ondanks dat is voldaan aan de geldende milieuregels kan sprake zijn van onrechtmatige hinder ingevolge artikel 5:37 Burgerlijk Wetboek.

De beantwoording van de vraag of het veroorzaken van hinder onrechtmatig is, is volgens vaste rechtspraak (HR 3 mei 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0235, NJ 1991/476) afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden. Daarbij is het beschikken over of juist het ontbreken van een vereiste vergunning niet zonder meer bepalend voor de vraag of jegens een derde sprake is geweest van onrechtmatige hinder.

Volgens de Hoge Raad vloeit uit het vorenstaande voort dat voor het antwoord op de vraag of sprake was van onrechtmatige geurhinder, niet zonder meer bepalend was of werd voldaan aan de geldende milieuregels.

Ondanks het beschikken over een vereiste vergunning en/of het voldoen aan de geldende milieuregels kan dus sprake zijn van onrechtmatige hinder en schadeplichtigheid.