pagina afdrukken


Verborgen gevolgen van besluit

Belanghebbenden bij een besluit van een bestuursorgaan zullen scherp moeten zijn op voor hen negatieve (rechts)gevolgen van een besluit. Bij twijfel is het vaak beter zekerheidshalve bezwaar te maken of beroep in te stellen. Een arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 maakt dat weer duidelijk.

Belanghebbenden bij een besluit van een bestuursorgaan zullen scherp moeten zijn op voor hen negatieve (rechts)gevolgen van een besluit. Bij twijfel is het vaak beter zekerheidshalve bezwaar te maken of beroep in te stellen. Dat geldt te meer in het geval de rechtsgevolgen van het besluit niet direct kenbaar zijn, hetgeen het hierna besproken arrest van de Hoge Raad pijnlijk illustreert.

Vanaf het moment dat een besluit van een bestuursorgaan in rechte onaantastbaar is geworden heeft dat besluit ‘formele rechtskracht’ verkregen. De formele rechtskracht van een besluit houdt onder meer in dat de rechtsgevolgen van dat besluit vast staan. Ongeacht of een besluit een gebrek kent, zal in toekomstige aangelegenheden, zoals een opvolgend besluit, of een uitspraak van een rechter, vanwege de formele rechtskracht in beginsel uitgegaan moeten worden van de juistheid van de inhoud van het besluit. De werking van formele rechtskracht verschaft aan de ene kant rechtszekerheid. Immers, op enig moment zal een einde moeten komen aan de rechtsstrijd. Aan de ander kant kan echter strikte handhaving van formele rechtskracht tot onwenselijke en soms onwerkbare situaties leiden, bijvoorbeeld wanneer het besluit gebreken kent. Er wordt echter alleen in hele bijzondere gevallen afgeweken van de formele rechtskracht. Het is daarom relevant te weten over welke onderdelen van een besluit de formele rechtskracht zich uitstrekt.

In het arrest van de Hoge Raad van 4 april 2014 (ECLI:NL:HR:2014:812) stond de vraag hoe ver de formele rechtskracht strekt centraal. Het betrof een geschil tussen enkele verzorgingstehuizen en het College voor Zorgverzekeringen (het CVZ).

In 2000 was tussen deze verzorgingstehuizen en het CVZ  afgesproken dat de onder de oude Wet op de bejaardenoorden opgebouwde investeringsreserves zouden worden toegewezen aan de individuele verzorgingshuizen. Afgesproken werd dat “de toewijzing […] plaats [vindt] bij de afrekeningen 1998 en/of 1999, al naar gelang de hoogte van het bedrag.” Dergelijke afrekeningen zijn subsidies en daardoor besluiten in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. De subsidies voor de verzorgingshuizen over de jaren 1998 en 1999 zijn uiteindelijk vastgesteld in 2002, maar daarin werd geen melding gemaakt van de investeringsreserves. De verzorgingstehuizen zijn echter niet opgekomen tegen de subsidiebesluiten van het CVZ.

Toen de verzorgingstehuizen in 2005 alsnog om uitkering van de investeringsreserves verzochten werden deze verzoeken afgewezen, aangezien de subsidies over 1998 en 1999, en daarmee conform de toewijzing van de investeringsreserves al had plaatsgevonden en deze subsidiebesluiten inmiddels onaantastbaar waren. Om deze reden hebben de verzorgingstehuizen gepoogd op grond van nakoming van de overeenkomst uit 2000 de investeringsreserves alsnog uitbetaald te krijgen via een civiele procedure, hetgeen heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad.

De Hoge Raad overweegt uiteindelijk dat de subsidiebesluiten uit 2002 formele rechtskracht hebben gekregen. Daartoe overweegt de Hoge Raad dat de verzorgingshuizen in een bezwaar- en beroepsprocedure tegen de subsidiebeslissingen  hadden kunnen aanvoeren dat deze in strijd met de overeenkomst uit 2002 geen beslissing bevatten over de uitkering van de investeringsreserves. De formele rechtskracht van de subsidiebesluiten staat daardoor toewijzing van de vordering in de weg.